“Hoofdstuk 2. De Transitie naar Open Science” in “De Universiteit in Transitie”
Hoofdstuk 2. De Transitie naar Open Science
Inleiding
In de proloog en het vorige hoofdstuk is besproken dat, indien de universiteit meer waarde wil toevoegen aan de samenleving, zowel regionaal als internationaal, de universiteit op zichzelf en op haar rol in de publieke ruimte zal moeten reflecteren, en op fundamenteel andere manieren haar werk zal moeten gaan organiseren. De universiteit moet daartoe een open relatie en interactie met de samenleving, en met de daarin te vinden diverse ‘publieken’ − de ‘stakeholders’ in diverse actuele maatschappelijke problemen en onderwerpen − aangaan. De universiteit is nu nog te veel naar binnen gekeerd, laat nog te veel zaken in de academie bepalen door de klassieke ideeën over wetenschap, die nog zeer dominant zijn en nog veelal de interne criteria ten aanzien van kwaliteit en onderwerpkeuzes bepalen. Dit is een probleem als het erom gaat haar research- en onderwijsagenda optimaal te kunnen richten op de grote problemen in de samenleving.
In dit hoofdstuk wordt de huidige transitie naar Open Science[1] besproken, die steeds internationaler gedragen wordt omdat men verwacht dat de manieren van werken volgens de principes van Open Science deze veranderingen in de academie zullen bevorderen. In de gedachtenvorming over wat de universiteit in 2030, en daarna, zou moeten willen zijn, staat daarom de transitie naar Open Science centraal. Hierbij moeten we dan wel denken aan de integrale interpretatie en implementatie van Open Science.[2],[3] Dit betreft de open, co-creatieve interactie met de samenleving, Public Engagement, maar ook het zo veel en snel mogelijk op een verantwoorde manier delen van publicaties, onderzoeksdata, en andere producten die de academie met publiek geld produceert.[4] Op die manier kunnen resultaten, waar dan ook ter wereld behaald, overal en door iedereen snel worden gebruikt en toegepast. Hierbij is het uitgangspunt dat de universiteit zich verantwoordelijk voelt en werkt met- en voor de samenleving.
Door een meer open en transparante manier van werken in de universiteit, reageren we op de signalen uit de maatschappij, veel gehoord in het publieke debat, dat de wetenschap een ‘black box’ is, en dat het geheel ondoorzichtig is hoe ze aan haar claims en vaak wel stellige uitspraken komt over actuele zaken.
“Is dat niet ook maar gewoon een mening van een individuele onderzoeker? Heeft die ook niet gewoon een gekleurd beeld en eigen belangen?”
Door het proces van kennisproductie binnen de universiteit openbaar te maken daar waar het kan, krijgen de mensen buiten de academie meer zicht op het proces waarmee claims tot stand komen; zoals het feit dat het geen werk is van een geniaal individu, maar dat wetenschappelijke kennis tot stand komt in stevige discussies tussen internationale experts over experimenten, studies, data, en interpretaties daarvan.
Sinds 2010 is er een toenemende mate van kritisch bewustzijn in de academie dat onze manier van werken totaal niet overeenkomt met dat beeld van open wetenschap. Velen hebben het wel als een ‘klassiek’, bijna mythisch ideaal in gedachten, maar regelmatig delen we onze producten niet, zijn onze publicaties niet vrij te lezen, en onze data onbereikbaar, omdat ze achter betaalmuren staan. Deze onbereikbaarheid is direct gerelateerd aan financiële middelen waarover de potentiële lezer kan beschikken, wat niet alleen in de Global South een groot probleem is. Ook geeft dit aan dat er serieuze belemmeringen zijn in de organisatie van de academie om een open houding en open relatie met de samenleving optimaal vorm te geven.
Hieronder zullen deze belemmeringen worden besproken in de context van de thema’s van Open Science, die gericht zijn op acties om de belemmeringen aan te pakken. Het gaat in Open Science en Public Engagement om een werkelijke relatie van wetenschap met de samenleving die voor beide partijen gunstig en essentieel is. In deze beweging, die hieronder in een beknopt historisch perspectief zal worden geplaatst, is een open wisselwerking tussen de samenleving en de universiteit door haar medewerkers, die actief zijn in onderzoek en onderwijs essentieel. Deze wisselwerking gaat verder dan wetenschapscommunicatie, en streeft naar co-creatie ten aanzien van de problemen in de samenleving, de onderzoekagenda, de onderwijsvisie, het produceren van data en resultaten, en het samen testen van nieuwe inzichten in de relevante maatschappelijke context. Ten slotte, maar volgens insiders nu wel het meest kritisch voor het slagen van de transitie naar Open Science, is het moderniseren van onze manier van beoordelen en evalueren essentieel. Het gaat dan om de beoordeling van onderzoek en onderwijs, maar ook van academici en de vele andere medewerkers die zich daarmee bezighouden binnen de universiteit. We schrijven heel bewust ‘moderniseren’, want het is een aanpassing aan de eisen van de moderne tijd, en dat geldt voor de gehele transitie naar Open Science en de effecten die dat heeft op de universiteit. De nieuwe manieren van werken en de diversiteit aan resultaten daarvan, vergen ander gedrag en een tamelijk fundamentele cultuuromslag die door het huidige evaluatiesysteem niet gefaciliteerd of bevorderd wordt. De aanpassing van onze manier van evalueren aan die nieuwe manier van werken van onze universiteitsmedewerkers is dus ook een voorwaarde voor de transitie naar Open Science.[5]
Door de manier van werken (‘de praktijken’) van Open Science, zal de kwaliteit en impact van onderzoek en onderwijs toenemen en een essentieel doorslaggevend effect kunnen hebben in het vormgeven van de moderne samenleving. Daarbij dringt de complexiteit van de globale samenleving en de urgentie van problemen, waar we dagelijks mee worden geconfronteerd, zich aan ons op. Die problemen vragen om oplossingen door middel van nieuwe technologie en innovaties, maar zeker ook om nieuwe inzichten ten aanzien van de juiste en mogelijke interventies in de inrichting van de samenleving. Hiervoor is begrip van historisch bepaalde, culturele en sociaaleconomische verschillen en geopolitieke situaties, cruciaal. Eveneens is hier de multidisciplinaire aanpak van team science essentieel, waarbij onderzoekers uit de meer exacte disciplines en de humaniora en sociale wetenschappen werkelijk in teams samenwerken. Dat samenwerken zal in de geest van Open Science steeds meer zijn met stakeholders uit de samenleving, om voor de samenleving optimale resultaten en beleidsopties te genereren. In het kort is dit ‘The Promise of Open Science’ zoals de EU, maar recent ook heel mooi de UNESCO, dat heeft verwoord.[6]
Open Science is, als een grote internationale beweging om de wetenschap en de academie te moderniseren, nog maar heel jong. Pas in 2015 is in de Europese Unie, eerst in een speech van Carlos Moedas en later in een boek in mei 2016, een aantal projecten onder de paraplu van Open Science gebracht onder de titel ‘Open Innovation, Open Science, Open to the World’.[7] Dat was zoals hieronder wordt besproken bevorderlijk voor de thema’s Open Access, FAIR/Open data, en Citizen Science/Public Engagement. Deze initiatieven liepen al en hadden tot doel kennis en resultaten van onderzoek te delen met de samenleving. Mede door de ‘Amsterdam Call for Action on Open Science’ in het kader van het Nederlandse voorzitterschap werd in voorjaar van 2016 het thema Erkennen en Waarderen met hoge prioriteit daaraan toegevoegd.[8]
Er liepen in 2016 al separate initiatieven op het gebied van Open Access, FAIR/Open data, en Citizen Science/Public Engagement in de EU en elders, maar Erkennen en Waarderen was nog geen groot internationaal thema. In een aantal landen, soms nationaal en meestal op lokaal niveau, werd wel gewerkt aan het moderniseren van evaluatiesystemen van onderzoek, universiteiten en onderzoekers. In de EU werd, zeer voortvarend, al in 2016 een aantal werkgroepen geïnstalleerd die zowel over de te gebruiken indicatoren moesten adviseren als ook over de vraag hoe het beoordelen van universitaire medewerkers zou moeten worden aangepast.
In het EU Open Science Policy Platform (EUOSPP) werden de diverse activiteiten bijeengebracht en aangestuurd. In 2017 werd er een project gestart om de implementatie van Open Science in de verschillende lidstaten te verkennen. Hierbij werd het de deelnemers meteen duidelijk dat dit voor de lidstaten zeer verschillende trajecten zouden moeten kunnen zijn, aansluitend op de lokale sociaal-culturele, juridische en politieke situaties.[9]
De thema’s van Open Science
Hieronder wordt Open Science aan de hand van de vier grote thema’s kort geschetst. Hoewel onderwijs pas sinds kort expliciet aandacht krijgt in Open Science[10], is onderwijs in deze context een integraal onderdeel hiervan, en is elders in dit boek onderwijs eveneens een majeur onderwerp voor de universiteit van 2030 en daarna. Open Education is al een thema in het Open Science Programma van de UU (zie figuur 2-1) en ook in het Nederlandse Nationale Open Science Programma.[11]
Open Acces en FAIR Open Data
Open Access en FAIR Open Data en Software zijn internationale bewegingen die zijn voortgekomen uit, en mogelijk gemaakt door-, de digitale revolutie die sinds 2000 nog steeds doorwerkt in de maatschappij, maar zeker ook in de universiteiten in de praktijk van onderzoek en onderwijs. Het hogere doel van deze twee bewegingen is om de geproduceerde kennis, zowel artikelen als allerlei andere vormen van data en producten van onderzoek en onderwijs, beschikbaar te maken voor een hele brede groep stakeholders, zoals collega’s, maar ook andere disciplines en instituties en bedrijven, waar ook ter wereld. Het idee is dat kennis geproduceerd met behulp van publieke middelen ‘a common good’ is, die zo snel mogelijk beschikbaar moet worden gesteld in en voor de samenleving.[12] Dit streven leidt tot complexe vraagstukken die te maken hebben met de rol van commerciële uitgevers die academische tijdschriften en boeken uitgegeven. Deze artikelen zijn alleen toegankelijk voor lezers met abonnementen (vaak via universiteitsbibliotheken).

Open Science Programma Universiteit Utrecht 2023
De transitie naar Open Access is sinds een paar jaar in een stroomversnelling gekomen. Waren het sinds 2002, ‘position papers’ en ‘declarations’, en vooral lokale acties verspreid over Europa, Noord en Zuid-Amerika, Australië en Afrika, sinds 2015 is er een aantal brede institutionele initiatieven. Het prominentste voorbeeld hiervan is Plan S van cOAlition S, een internationale coalitie van publieke- en non-profit organisaties die onderzoek subsidiëren en de eis stellen dat resultaten meteen Open Access moeten worden gepubliceerd.[13] cOAlition S is in 2018 gestart vanuit Europa door Science Europe, de EU en de Wellcome Trust, maar heeft intussen ook leden uit andere continenten, zoals de Bill and Melinda Gates Foundation en het Howard Hughes Medical Institute. Zeer recent heeft ook de Amerikaanse overheid de eis geïntroduceerd dat artikelen die voortkomen uit door de overheid betaald onderzoek meteen Open Access beschikbaar moet komen.[14]
Deze acties zijn ingegeven door het feit dat via commerciële uitgevers kennis, in artikelen en boeken, niet vrijelijk beschikbaar is, evenals door de exorbitante prijsstijgingen van abonnementen op elektronische tijdschriften en de daaraan gekoppelde commerciële belangen. Artikelen en onderzoeksdata zijn hierdoor voor onderzoekers en publiek(en) die over minder financiële middelen beschikken nog slechter bereikbaar geworden. Zij kunnen de abonnementen niet betalen.
Bij Plan S is eerst vooral ingezet op publicaties in Open Access tijdschriften met betaling van de ‘Article Processing Charge’ (APC). Hierbij betalen auteurs en hun instituten voor het door de uitgever Open Access maken van hun artikelen. Artikelen zijn hierdoor voor de lezers gratis toegankelijk. Ook is publicatie in zogeheten ‘repositories’, aangemoedigd. Dit heeft een sterk effect gehad op het bevorderen van het debat over Open Access en Open Data. Het is echter geen oplossing voor de langere termijn. APC-betaling, net als abonnementskosten voor lezers, zijn immers net zo goed een barrière, maar nu voor de auteurs en hun instituten. De bedragen die betaald moeten worden voor APC zijn de laatste jaren fors-, en voor de ‘high impact’ tijdschriften zelfs exorbitant, gestegen. Deze verhoging gaat bijvoorbeeld op voor tijdschriften met een goede reputatie, omdat ze een hogere ‘Journal Impact Factor’ (JIF)[15] hebben. Denk aan Nature, Science, The Lancet, en Cell. Dit zijn voorbeelden van tijdschriften die hoge abonnementskosten hebben en tegen betaling auteurs in staat stellen hun artikel toch Open Access te publiceren. Daarvoor betalen de auteurs dan APC, dat is ‘hybrid Open Access’ en wordt ook wel ‘double dipping’ genoemd. Kortom: dubbele inkomsten, abonnementsgelden én APC. Het is lucratief voor uitgevers die speculeren op de ‘verslaving’ aan hoge JIF’s, vooral bij onderzoekers en leden van beoordelingscommissies uit de exacte en biomedische disciplines. Hieronder zal daar, in het kader van Erkennen en Waarderen, nader op worden ingegaan.
Doordat we te maken hebben met een kloof tussen rijke landen in het Noordwesten en arme landen in ‘The Global South’ (maar ook in Oost-Europa), worden de laatsten ook in de wetenschap en de transitie naar Open Science op achterstand gezet. De rijkere onderzoekers, die per se in ‘hun favoriete tijdschrift’ willen publiceren, kunnen zich zelfs een extreem hoge APC veroorloven. Onderzoekers uit bijvoorbeeld Zuid-Amerika of Afrika die in die tijdschriften willen publiceren kunnen dat maar zelden betalen. Het is daarnaast ook goed om te beseffen dat in het algemeen ook in het rijke Westen financiële mogelijkheden tussen academische disciplines historisch zeer ongelijk zijn, bijvoorbeeld tussen de biomedische en natuurwetenschappen in vergelijking met de geesteswetenschappen.
In 2022 is daarom de roep van cOAlition S om in de transitie naar Open Access voorbij het model van APC’s te gaan en nu echt op niet-commerciële publieke Open Access publicatieplatformen over te gaan[16],[17]. Die publicatiekanalen moeten dan gefinancierd worden door centrale publieke middelen, waarbij Open Access standaard is, en er via peer review[18] toetsing is van kwaliteit. Onze collega’s uit Zuid-Amerika herinneren ons er voortdurend aan dat dit bij hen al sinds jaar en dag het dominante model is, wat door Plan S met de APC’s juist wordt bedreigd.[19]
Hierbij dient te worden opgemerkt dat er een sterke verantwoordelijkheid is van het team van onderzoekers voor de kwaliteit van hun werk, maar die ligt zeker ook bij het instituut. De reputatie van een instituut zou niet moeten afhangen van de JIF, die niet correleert met de werkelijke impact en kwaliteit, maar met de intrinsieke kwaliteit en werkelijke impact van onderzoeksresultaten, data en claims en andere producten van onderzoek die vanuit het instituut worden gepubliceerd, op een ‘Diamond’ platform of een ‘prepublication repository’[20], en in boeken en tijdschriften. Het enkel passeren van peer review, zo is algemeen aangetoond, is niet een betrouwbaar kwaliteitskeurmerk per se.
Tekstbox 2.1 De verschillende vormen van Open Access publishing.
Er zijn verschillende vormen van Open Access:
Gold Open Access: publicatie in een volledig Open Access-tijdschrift dat geen abonnementskosten in rekening brengt. Meestal rekenen Gold Open Access-tijdschriften publicatiekosten, ook wel bekend als Artikel Processing Charges (APC’s).
Hybrid Open Access: publicatie in een ‘traditioneel’ abonnementsblad dat Open Access publicatie voor individuele artikelen aanbiedt tegen betaling van een Artikel Processing Charge (APC).
Green Open Access: publicatie in een gesloten tijdschrift en vervolgens archivering van een versie van de publicatie in een vertrouwde Open Access repository. Publicaties kunnen worden gearchiveerd bij publicatie of daarna, afhankelijk van het beleid van het tijdschrift. Vaak is het zelf archiveren van de final author’s version (post-print) na een embargoperiode toegestaan.
Diamond Open Access: publicatie in een volledig Open Access-tijdschrift of platform dat geen publicatiekosten (APC's) in rekening brengt. De kosten voor publicatie en hosting worden gedragen door één of meer organisaties, verenigingen of netwerken.
FAIR Open Data en Software is het publiceren en dus bruikbaar en betrouwbaar (FAIR) beschikbaar maken van onderzoekdata en software en code. Dit is terecht al veel aandacht en is een belangrijk onderdeel van wat een universiteit moet doen in het bevorderen van Open Science. Het stimuleert de interdisciplinaire samenwerking tussen collega’s op onderzoek en onderwijs, en de interacties met de verschillende partijen in de wereldwijde samenleving. Afgezien van de enorme financiële, technische en facilitaire aspecten en voorwaarden die geadresseerd moeten worden om dit voor de medewerkers van de kennisinstellingen en de potentiële gebruikers mogelijk te maken, zijn er ethische en politieke overwegingen waar we rekening mee moeten houden. Het ethisch verantwoord open maken van datasets kan stuiten op terechte wettelijke beperkingen en bezwaren van privacy, en mogelijk misbruik voor onder andere militaire doelen. Daarom is het adagium: ‘Open wanneer het kan, gesloten wanneer het moet’.
Net als bij Open Access zijn er terecht ook zorgen over de ongelijke machtsverhoudingen op nationaal niveau en in de wereld.[21] We hebben tijdens de COVID-19 pandemie de enorme impact gezien die het delen van data op internationaal niveau kan hebben, toen het meteen delen van genetische informatie over het virus en het publiceren van ruwe data waarop publicaties waren gebaseerd even normale praktijk waren. Ook op het gebied van onderwijs, de computer sciences, cybersecurity en onderzoek van energie en klimaat, zijn er mooie voorbeelden. Er zijn tegelijkertijd zorgen. Het delen van data en code zal de onderzoekers en het publiek uit rijke landen bevoordelen ten opzichte van inwoners van armere landen, want zij hebben meer gelegenheid die informatie te benutten, omdat er in rijke landen meer financiële middelen zijn voor hergebruik en commerciële en andere profijtelijke toepassingen. Dit zijn geen nieuwe problemen die zich in de universiteit openbaren, maar problemen waarmee de academie ook in andere tijden heeft geworsteld. Denk bijvoorbeeld aan de jaren 1939 tot 1945, rond de ontwikkeling van de atoombom en daarna in de verhouding met de Sovjet-Unie tijdens de koude oorlog. Voor de meesten van ons is dat, zeker sinds 1989, een ver verleden, maar het bestuderen van die specifieke geschiedenis van de interacties van wetenschap en samenleving is nu zeer verhelderend en geeft inzichten voor de huidige geopolitieke discussies; ook tijdens de koude oorlog werden bewust resultaten van bepaald wetenschappelijk onderzoek niet verder verspreid. Deze structurele politieke-, sociaal-economische ongelijkheid is van een algemene aard die we moeten anticiperen en zoveel mogelijk moeten mitigeren in de context van Open Data en Code in Open Science.
Een ander risico is het op een naïeve manier delen van data met partijen die daar misbruik van zouden kunnen maken. Dat kan gaan om toepassing van data of code voor politieke en ethisch ongewenste praktijken. Dit kan niet altijd voorkomen worden, maar de onderzoeker die de data of code heeft geproduceerd moet hier steeds zeer alert op zijn. De discussies gaan over het delen van data en code met partijen in landen met autoritaire regeringen die de data en code voor militaire of onderdrukkende doelen. Geopolitiek speelt hier eveneens een rol, en dus is ook hier het adagium: ‘Open wanneer het kan, gesloten wanneer het moet’. We moeten constateren dat er in de wereld, anno 2022, niet maar één wetenschap, met één set van normen en waarden bestaat, en dat Open Science afhankelijk is van een Open Society met een open democratie, en niet- of veel minder goed functioneert in landen waar daaraan niet voldaan wordt.
Open Innovation
Bij het delen van data in een ‘international community of inquirers’ moeten afspraken gemaakt worden over hoe de betrokken partijen hiervan kunnen profiteren. Er zijn voorbeelden van geneesmiddelenontwikkeling waarbij universiteiten, die kennis en patenten hebben ontwikkeld, en farmaceutische bedrijven, die het geneesmiddel naar de markt willen brengen, tijdig afspraken maakten over hoe, waar en tegen welke prijs die geneesmiddelen beschikbaar zouden moeten komen. Hierbij kunnen dan lage prijzen worden bedongen voor Low and Middle-Income-Countries. Dat wijkt af van de neoliberale vrijemarkteconomie waar we in de westerse wereld zijn terecht gekomen en is dus een moeizame maar belangrijke nieuwe weg die we op moeten gaan.[22] Er zijn daarnaast veel initiatieven wereldwijd die Open Innovation stimuleren tussen bedrijven en academische partners. Novo Nordisk Foundation is hiervan een voorbeeld.[23]
De onderliggende, structurele maatschappelijke ongelijkheid hangt samen met geopolitieke, nationale en maatschappelijke structuren die veel van deze zaken bemoeilijken of onmogelijk maken en niet bepaald worden door de academie, maar die de universiteit wel steeds kritisch moet beschouwen en internationaal hoog op de agenda zal moeten houden.
Public Engagement: Science with and for Society
Public Engagement heeft veel vormen en kent een enorme variatie aan resultaten. Het klassieke voorbeeld is zogeheten ‘Citizen Science’ en betreft burgers, niet-academische onderzoekers, die meedoen in wetenschappelijk onderzoek door bijvoorbeeld observaties te doen en data te verzamelen. Public engagement gaat echter veel verder. Het betreft onderzoek dat gebaseerd is op een onderzoekvraag die door onderzoekers samen met burgers geformuleerd en vertaald is in een onderzoeksproject dat gezamenlijk wordt uitgevoerd. Daarbij wordt dan meestal ook de nieuwe kennis, en/of het nieuw ontwikkelde product getest in de context waar de vraag van de burgers vandaan komt. Ook kunnen door publieke participaties nieuwe onderwijsmethoden en middelen worden ontwikkeld die aansluiten op maatschappelijke problemen. In alle academische disciplines zijn prachtige voorbeelden van deze participatiewetenschap beschreven, van geneeskunde, de psychiatrie, onderwijskunde, internationaal recht, tot lokale politieke problemen ten aanzien van door menselijk handelen veroorzaakte de schade aan milieu, leefomgeving en welzijn, en gelijke behandeling (inclusiviteit) in allerlei maatschappelijke situaties zoals het onderwijs.
Hierbij staat voorop dat de betrokken onderzoekers ervan overtuigd zijn dat die co-creatie tot bruikbare resultaten kan leiden, die daadwerkelijk de potentiële gebruikers zal bereiken. Dit wordt ondersteund door veel empirisch onderzoek. Als een onderzoeker niet alleen eventuele resultaten wil toepassen in de maatschappij, maar ook al vanaf het zeer vroege begin bij de vraag articulatie samen optrekt, verkleint dat de afstand tussen de onderzoeker en de potentiële gebruiker, met maximale kans op het maken van impact. Afstand kan hier de betekenis van fysieke afstand hebben, van fysiek met elkaar samenwerken, maar ook die van geestelijke afstand, elkaar begrijpen.
CHARM-EU: een voorbeeld van Public Engagement.[24]
Een voorbeeld van public engagement waarbij maatschappelijke actoren een onderzoeksvraag formuleren waarmee onderzoekers, maatschappelijke actoren en studenten gezamenlijk aan de slag gaan, vindt plaats binnen het CHARM-EU masterprogramma ‘Global Challenges for Sustainability’. In dit allereerste Europese joint degree masterprogramma volgen studenten tegelijkertijd aan vijf universiteiten hybride onderwijs dat gelinkt is aan uitdagingsgericht, transdisciplinair onderzoek. Tijdens de Capstone, de laatste fase van het masterprogramma die de Universiteit Utrecht coördineert, formuleren maatschappelijke actoren (bedrijven, NGO’s, overheidsinstanties, etc.) een duurzaamheidsuitdaging waarvoor zij een oplossing zoeken. Studententeams van de vijf CHARM-EU partneruniversiteiten werken onder begeleiding van onderzoekers en maatschappelijke actoren aan het analyseren van het probleem en het formuleren van oplossingen, aanbevelingen en/of prototypes. De duurzaamheidsuitdagingen verschillen per jaar en lopen uiteen in disciplines en geografische focus binnen en buiten Europa. Sommige uitdagingen hebben betrekking op mondiale kwesties, zoals de manier waarop de Verenigde Naties bedrijven kan adviseren en stimuleren de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen te implementeren en monitoren. Andere uitdagingen zijn gericht op lokale kwesties, waarbij een van de Capstone teams een smartphone app heeft ontworpen om burgers in Utrecht te enthousiasmeren om stadsboerderijen en stadstuinen op een speelse en leerzame manier te ontdekken. In Zuid-Afrika werken Capstone teams aan het analyseren en aanpakken van conflicten tussen mensen, vee en wilde dieren rond het Kruger National Park. Daarbij begint het team met het formuleren van een probleemstelling op basis van gesprekken met de leiders van de lokale gemeenschap en andere stakeholders in het park. Dit vergt flexibiliteit, interdisciplinariteit en culturele sensitiviteit om problemen van meerdere kanten en op lokaal geaccepteerde wijzen te analyseren en adresseren. Wetenschappelijke en inheemse kennis wordt vervolgens geïntegreerd en gedeeld door een lokaal transdisciplinair onderzoekscentrum, een satellietcampus van de Universiteit van Pretoria. Dit onderzoekscentrum voert onderzoek en trainingen uit rond het tegengaan van ziektes in de veestapel, natuurbehoud en duurzame manieren van leven in het park. Op die manier wordt er niet alleen internationaal erkend onderzoek gedaan, maar vindt er ook lokale capaciteitsopbouw plaats en worden er innovatieve oplossingen ontworpen voor lokale problemen die ook grensoverschrijdend zijn. De onderwijsmethoden in de Capstone zijn ontwikkeld onder leiding van de Universiteit Utrecht door een transdisciplinair team van onderzoekers en docenten van de vijf partneruniversiteiten in samenwerking met maatschappelijke actoren. Dit zorgt voor een directe aansluiting van het onderwijs en onderzoek op maatschappelijke vraagstukken, en resulteert in gezamenlijke leerprocessen van alle betrokkenen. CHARM-EU is een Europese universiteitsalliantie die fungeert als een testbed voor innovaties en institutionele veranderingen ten behoeve van Open Science en Public Engagement in het onderwijs en onderzoek van de inmiddels negen CHARM-EU partnerinstellingen.
Er is inmiddels een keur aan Open Science Declarations, aanbevelingen, implementatieplannen en strategieën van de EU, de UN en UNESCO, overheden, en velerlei instituties overal ter wereld. De meeste onderzoekers, en de meeste universiteiten in 2022 zijn, in de geest van Open Science, van mening dat een fors deel van universitair onderzoek een bijdrage zou moeten leveren aan het helpen oplossen van problemen in de samenleving.[25] Heel veel onderzoek wordt gedaan om te helpen bij het nemen van de juiste beslissing, bijvoorbeeld in een politiek debat. Dat betekent dat universiteiten en hun medewerkers in het onderzoek en het onderwijs bewust keuzes maken voor onderwerpen en problemen die om onderzoek en nieuwe vormen van onderwijs vragen. Universiteiten zullen in deze transitie, veel meer dan nu al het geval is, een inhoudelijk en organisatorisch proces naar een thematische profilering van hun onderzoek ingaan.
Profilering
Universiteiten, willen ze optimaal hun doelen behalen, zullen binnen de grote thema’s moeten bepalen aan welke onderwerpen zij vanuit hun kracht maximale waarde kunnen toevoegen en waarmee ze optimale impact kunnen hebben in de academie en in de maatschappij. Vanuit deze bewuste strategie zal in de komende decennia hun onderzoek en hun kwaliteit en excellentie worden beoordeeld, niet door middel van het aantal publicaties in Science en Nature, maar juist op de werkelijke academische en maatschappelijke waarde en impact. Dat brengt universiteiten en onderzoekers heel dicht bij de publieke, private en politieke arena, en roept prangende vragen op over de relatie tussen universiteiten en de samenleving. Hierbij betreft het de klassieke thema’s, waardevrije wetenschap, neutraliteit maar ook over verantwoordelijkheid ten aanzien van de samenleving. Het gaat dan voornamelijk over welke algemene-, en mogelijk ook meer lokale waarden en normen de universiteit moet propageren.
De onderzoeker komt mensen tegen met uiteenlopende opvattingen, angsten, ervaringen, wensen, politieke overtuigingen en onderliggende patronen van normen en waarden. Dat beïnvloedt deze burgers sterk in de interpretatie van, en de discussies over, het wetenschappelijk werk. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de aanpak van de covidpandemie, of de stikstofcrisis. Een deel van de burgers zal zich niet gesteund voelen door de informatie die wetenschappers ter tafel brengen. Veelal zal gewezen worden op onderzoekers die andere claims en feiten presenteren dan de consensus, en op de verschillen in context waarin het onderzoek is gedaan. Verschillen ten aanzien van de onderzoekscontext, en de werkelijke omgeving waar de resultaten van onderzoek gedacht worden van toepassing te zijn, zijn van belang. Hierdoor wordt op verschillende wijze de bewijskracht van wetenschappelijke claims in twijfel getrokken. Deze manier van argumenteren is vergelijkbaar met hoe advocaten in rechtszaken bewijs deconstrueren naar vooringenomen ideeën, context afhankelijke aannames, interpretaties en methoden. Dat zijn dus wezenlijk andere discussies dan discussies die de onderzoeker met vakgenoten heeft over haar werk, waar cognitieve (‘wetenschappelijke’) argumenten de overhand hebben en vaak ‘netjes’ gescheiden blijven van oordelen over het werk vanuit allerlei maatschappelijke, sociaaleconomische, politieke en culturele overwegingen.[26],[27] ‘Netjes’ gescheiden in de zin dat in academische discussies beide partijen trachten het cognitieve te scheiden van niet-cognitieve normen en waarden, waarbij de laatste categorie vaak buiten beeld kan blijven.
In de tijd van het positivisme van 1930 tot 1970, met het nu nog vaak dominante klassieke beeld van wetenschap, werden de grenzen tussen de werelden van burgers en wetenschap veelal kunstmatig, strikt gescheiden. Invloed op de wetenschap, welke dan ook, van buitenaf was taboe. Echter, toen, maar zeker ook in onze moderne tijden ontwikkelden de wetenschap en de samenleving zich beide continue en parallel aan elkaar en op heel snelle wijze. Daarbij is er een constante wisselwerking en wederzijdse beïnvloeding, waarbij beide reageren en anticiperen op elkaars ‘gedrag’, ideeën, communicatie en acties in de publieke sfeer waar burgers, onderzoekers en politici verkeren. Dit heeft vaak direct en indirect effect op de voortgang van wetenschappelijk onderzoek. Recente wetenschapsfilosofische inzichten laten zien dat onderzoekers in hun onderzoek en academische debatten onbewust altijd vanuit hun sociaal-culturele context, met hun normen en waarden functioneren, en dat die juist heel belangrijk kunnen zijn in het onderzoek en maar beter geëxpliciteerd en ter discussie gesteld kunnen worden.[28]
Reflexiviteit
Het werkelijk begrijpen en invoelen van het probleem dat een burger, patiënt, kind met een immigratie achtergrond, onderwijzer, CEO of ambtenaar heeft, en wat dat voor de positie, attitude en betrokkenheid van de onderzoeker betekent, is van het grootste belang voor de kwaliteit van participatief onderzoek en Public Engagement.
Het gaat daarbij dus in hoge mate ook over de reflectie van de universiteit en de onderzoeker op hun eigen positie in de betreffende maatschappelijke context van onderzoek en de eigen ervaringen, verwachtingen, normen en waarden.
Onderzoekers worden geconfronteerd met tegenspraak, ‘society speaks back’ en er is een grote mate van onzekerheid over de status van onze wetenschappelijke kennisclaims. De klassieke autoriteit is verdwenen. Die autoriteit was, zoals elders uitgebreid is bediscussieerd, gebaseerd op een geïdealiseerd beeld van de wetenschap (‘The Legend’) dat nu vervangen is door een realistisch narratief over hoe we in de wetenschap tot kennisclaims komen en hoe die door constante discussie en onderzoek steeds getest, verworpen of verbeterd worden.[29] Het gaat in deze interacties niet om het beroep op absolute kennis of feiten, maar op aantoonbare ‘robuuste en betrouwbare’ kennis die zijn waarde bewezen heeft in continue discussie met collega’s en in acties en interventies in het lab, een testomgeving, een klinische trial, maar ook in de echte wereld. Ten aanzien van dat laatste is het van groot belang dat de onderzoeker zich er van bewust is dat kennis en kennisclaims altijd in een bepaalde omgeving, ‘setting’, maatschappelijke en culturele context zijn geproduceerd en gevalideerd. In de geneeskunde is hier veel en tevens teleurstellende ervaring mee ten aanzien van werkzaamheid van geneesmiddelen. Deze zijn vaak getest en gevalideerd in experimenten en trials waarin veelal patiënten deelnamen die streng geselecteerd waren op leeftijd, geslacht, etniciteit en bepaalde ziektekenmerken. Hierdoor zijn ze niet altijd representatief, met name voor vrouwen of mensen die uit andere continenten komen.[30] Voorbeelden hiervan zijn antidepressiva, maar ook voor geneesmiddelen in de oncologie, cardiologie en patiënten met afweerstoornissen zijn hier voorbeelden van. Een ander mooi voorbeeld vanuit de geneeskunde betreft de geheel verschillende verspreiding van HIV in Sub-Sahara Afrika in vergelijking met Amsterdam en San Francisco. In Sub-Sahara Afrika vindt de verspreiding niet via homoseksuele-, maar vooral via heteroseksuele contacten plaats. Men dacht hier eerst alleen maar vanuit ons Westers referentiekader met haar dominantie van sequentiële heteroseksuele relaties met de kans op verspreiding die positief gecorreleerd aan de frequentie en aard van heteroseksuele contacten. Dat bleek geen plausibele verklaring in Afrikaanse landen met enorme heteroseksuele hiv-verspreidingen. Door contacten met antropologen en sociologen in Afrika kwam de relatief late ‘ontdekking’ van de oorzaak van dit verschil. Het bleek dat in die Afrikaanse landen van oudsher totaal verschillende, cultureel bepaalde heteroseksuele relaties dominant waren en nog steeds zijn. Deze netwerken van gelijktijdige, meervoudige seksuele relaties van mannen en vrouwen kon een snelle verspreiding onder mannen èn vrouwen via heteroseksuele contacten verklaren. Dit verklaarde ook de veel grotere verspreiding van HIV onder jonge en pasgeboren kinderen.[31]
Erkennen en Waarderen
Door de institutionele transitie naar Open Science, zoals hiervoor beschreven, is in de EU en elders in de wereld snel duidelijk geworden dat voor een succesvolle, blijvende transitie en implementatie de manier van evalueren en belonen van onderzoekers en onderzoek moet worden aangepast. Het systeem dat door Robert Merton al in het midden van de vorige eeuw met ‘reward system’ werd aangeduid, moet worden gemoderniseerd.[32] Als we, zoals in figuur 2-2, ‘the credibility cycle’ in beeld nemen zien we in één oogopslag hoe dat in de dagelijkse praktijk zijn uitwerking heeft. Op meerdere plekken in de cirkel zijn criteria en de daarvan afgeleide indicatoren zeer bepalend voor onze oordelen over kwaliteit en daardoor bepalend voor het toekennen van subsidies en van prijzen.[33] Deze indicatoren spelen een grote rol in het werven van wetenschappers, bij besluiten ten aanzien van academische benoemingen, vaste contracten en promotie naar bijvoorbeeld UD, UHD of Hoogleraar.[34] Zoals figuur 2-2 laat zien is het systeem van Erkennen en Waarderen te beschouwen als het ‘verdienmodel’ van de moderne wetenschap. Door de indicatoren en criteria die wereldwijd expliciet en soms impliciet worden gebruikt, worden begrippen als kwaliteit en excellentie gedefinieerd en is er een voor iedereen herkenbare hiërarchie in de academische disciplines. Hier ligt een ware uitdaging voor de universiteit de komende jaren, ook ten aanzien van de enorme en nog steeds groeiende hypercompetitie voor academische posities aan de universiteit en voor subsidies en de daarmee gepaard gaande aanvraagdruk, en natuurlijk de werkdruk en belasting bij de aanvragers.
Vele auteurs hebben sinds 2000 laten zien hoe het systeem van Erkennen en Waarderen zich heel snel sinds de negentiger jaren heeft ontwikkeld.[35] Elders zijn recent in detail de klassieke visies op wetenschap besproken, die Ziman en Kitcher ‘The Legend’ hebben genoemd, en die ten grondslag liggen aan dat evaluatiesysteem. De box hierna maakt duidelijk waarom het dominante evaluatiesysteem de transitie naar Open Science niet zal faciliteren, laat staan bevorderen.

De ‘credibility cycle’. Bron: Figuur 3 uit Hessels 2009.
Nu is het, ondanks dit gegeven, sinds 1995 de gewoonte geworden om de Journal Impact Factor ook te gebruiken voor het bepalen van de kwaliteit van het werk van individuele artikelen en de kwaliteit van hun auteurs. De editors en hun ‘associate editors’ sturen op het verwerven van artikelen die geheid grote aandacht kunnen trekken, door dat het onderzoek bijvoorbeeld heel fundamenteel is of heel actueel en nieuw en baanbrekend. Dat trekt immers de algemene aandacht binnen en buiten de wetenschap. Hier spelen de klassieke visies en ideologieën van wetenschap een hoofdrol. Door de aandacht en citaties, hopen de editors een nog hogere JIF voor hun tijdschrift te verkrijgen. Hieraan is de reputatie van het tijdschrift gekoppeld, maar ook de ‘subscription and APC fee’. Voor Nature is het laatste al opgelopen tot boven de 10.000 euro. Zie hier het verdienmodel van de commerciële uitgevers.
De JIF en de reputatie van een tijdschrift spelen, ondanks de evidente foute basis, een enorm bepalende rol in vooral de exacte disciplines en het grote gebied van de biomedische wetenschappen, maar heeft intussen ook navolging gekregen in de economie en zelfs de sociale wetenschappen.
De ‘Legend’ laat zich het best zo karakteriseren:
‘There is a unique “scientific method” that guarantees objective truth of general, universal and timeless theories and claims. These claims allow understanding, prediction and control of our world (nature/men). The method is logical-empirical and has a firm foundation. Facts and values; science and non-science are neatly separated, which makes science objective and neutral. This method explains the success of the “hard” sciences; the “soft” social sciences and humanities are methodologically problematic’.[36]
Metrics shape Science
Wat impliceert het, dat de metrics bepalend zijn? Daarbij moet men denken aan alles wat zich in de ‘credit cycle’ afspeelt: via peer review in zo’n tijdschriftartikelen geaccepteerd krijgen, op basis daarvan excellentie toegemeten krijgen, op basis daarvan onderzoeksubsidies en academische posities verkrijgen, en vervolgens via het zogenaamde Matthew Effect betere toegang tot jarenlang mooie en forse eervolle subsidies verwerven. Er is al zeker tien jaar brede internationale kritiek op het gebruik van deze metrics. Experts hadden dat overigens al veel langer. De Declaration on Research Assessment (DORA) is een internationale beweging, gestart in 2012, door vele instituten en personen ondertekend, die het gebruik van de JIF op deze manier verbiedt. De implementatie daarvan in de instituten is pas sinds 2015 serieus opgang komen en maakt deel uit van het Erkennen en Waarderen project in vele instituten.[37]
DORA is gericht op dit apert foute gebruik van ‘poor proxies for quality and excellence’ en op verbreding van de criteria voor beoordeling en evaluatie. Het is echter niet alleen een probleem voor de academie. We moeten ons realiseren dat veel onderzoek met hele hoge kwaliteit en grote wetenschappelijke en/of maatschappelijke impact niet interessant is voor de tijdschriften met die hoge JIF, en dat zelfs in commissies die zeer verschillende onderzoeksvoorstellen moeten beoordelen voor subsidiegevers de JIF bepalend is. Dit betekent dat hierdoor de keuze voor onderzoek in een aantal grote disciplines en domeinen niet door de werkelijke kwaliteit en impact bepaald wordt.[38],[39]

Problems of the current dominant reward system in science. (Miedema, 2022).
In het domein van het biomedisch en gezondheidsonderzoek heeft de Gezondheidsraad op verzoek van de minister van VWS in 2016 een advies uitgebracht onder de omineuze titel ‘Onderzoek waar je beter van wordt’. Dit ministerieel verzoek was ingegeven doordat bij boven genoemde publicaties de research agenda te veel werd bepaald op basis van de metrics en niet op basis van maatschappelijke- en klinische impact. Het advies riep dan ook op tot een aanpassing van de beoordeling van het onderzoek en onderzoekers, op basis van meer inclusieve criteria, zoals ook de maatschappelijke relevantie van onderzoek.[40] Dit is de reden dat Erkennen en Waarderen in 2016 een integraal onderdeel is geworden van het Open Science programma in de EU en in vele instituties.
Ondanks dat de vooroordelen van ‘The Legend’ filosofisch en sociologisch al decennia aangetoond zijn, zijn ze in discussies over wetenschap in de academie, bij de overheid, subsidiegevers, academische instituties inclusief de Koninklijke Academies, en in de media helaas nog zeer dominant. De maatschappelijke impact en ‘societal need’ van toegepaste wetenschap en technologische wetenschappen staat in de klassieke wetenschapsopvatting in lager aanzien dan ‘pure’ wetenschap, ook wel ‘blue skies science’ of ‘curiosity driven science’ genoemd. De kwalificatie ‘curiosity driven’ is suggestief en incorrect, want in alle onderzoek is nieuwsgierigheid aan de orde, voornamelijk bij het oplossen van problemen van welke aard dan ook. In deze klassieke dichotomie is kwantitatieve, formele, ‘harde’ wetenschap dominant over ‘zachte’, kwalitatieve wetenschap, zoals in de sociale- en geesteswetenschappen, ondanks de bewezen waarde van beide voor de aanpak van grote maatschappelijke problemen zoals de klimaatcrisis, de groeiende ongelijkheid en de COVID-19 pandemie.
In Nederland is de laatste jaren veel vooruitgang gemaakt door de UNL (voorheen VSNU), NWO, NFU en KNAW, zoals in een ‘position paper’, ‘Ruimte voor ieders talent’.[41] Hier een citaat:
“Daarvoor is een systeem van erkennen en waarderen van wetenschappers en onderzoek nodig dat:1. diversificatie en het dynamiseren van loopbaanpaden mogelijk maakt, zodat excellentie in ieder van de kerndomeinen wordt bevorderd;2. recht doet aan zowel de onafhankelijkheid en de individuele kwaliteiten en ambities van wetenschappers, als aan teamprestaties; 3. het accent legt op de kwaliteit van het werk en minder nadruk legt op kwantitatieve resultaten (zoals aantal publicaties);4. alle aspecten van Open Science stimuleert; en 5. hoogwaardig academisch leiderschap stimuleert.Open ScienceMeer ruimte voor Open Science vraagt specifieke aandacht. Deze nieuwe benadering van wetenschap geeft anderen, naast de wetenschapper zelf, de gelegenheid om mee te werken en bij te dragen aan, en gebruik te maken van het wetenschappelijk proces. Dit betekent bijvoorbeeld dat wetenschappers de resultaten van wetenschappelijk onderzoek breder delen met de samenleving, dat ze onderzoeksresultaten toegankelijk maken en dat ze de samenleving bij het onderzoek kunnen betrekken (bijvoorbeeld citizen science). Open Science en de modernisering van het systeem van erkennen en waarderen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het vraagt tijd en aandacht van de wetenschappers die niet automatisch terug te voeren zijn naar traditionele wetenschappelijke output zoals publicaties, maar die wel een grote impact kunnen hebben op de samenleving en wetenschap (bijvoorbeeld het delen van onderzoekdata).”
Binnen de Universiteit van Utrecht hebben we gewerkt aan een integrale, inclusieve beoordeling van onze academische medewerkers in het kader van ons Open Science programma, geheel in lijn met DORA en de bovengenoemde projecten en hun achterliggende visies. De implementatie van een dergelijk beoordelingsprotocol was in hoofdlijnen geformuleerd en dat betekent dat het nader vorm gegeven moet worden in de diverse faculteiten en afdelingen en Strategische Thema’s. Dat is waar het echte werk gaat beginnen: wat is impact en kwaliteit in die zeer verschillende contexten, en hoe kom je dan aan goede narratieven en criteria?

Praatplaat ‘Recognition and Rewards’ Universiteit Utrecht 2021
Naast research in engere zin, is er nu eveneens veel aandacht voor onderwijs, maar ook voor academische activiteiten die te maken hebben met ‘academic duties’, inspanningen die de kwaliteit van de praktijk van onderzoek en onderwijs bevorderen. Zie Figuur 2-4 voor een praatplaat die in 2021 ontwikkeld is om de discussies hierover te voeren aan de Universiteit Utrecht. Hier denken we aan peer review, commissiewerk bij subsidiegevers, evenals aan tijdsbesteding gericht op het bevorderen en praktiseren van FAIR/Open Data, Open Access en Public Engagement en het bijpassende academisch leiderschap. Dit zijn activiteiten die, in juist al hun veelzijdigheid en pluriformiteit, bij een moderne evaluatie van onderzoek, onderwijs en onze medewerkers een belangrijke plek moeten hebben. In andere landen zijn in nationale protocollen voor het beoordelen van onderzoek en academici deze bewegingen, soms meer, soms nog wat minder, al zichtbaar en zijn er veel transities gaande.
Tekstbox 2.2 Het Research Excellence Framework.
In het Verenigd Koninkrijk is het Research Excellence Framework (REF) (2014) een reactie geweest op de Research Assessment Exercise (1986-2008), die erg stuurde op de klassieke academische output van ‘science for science’ en weinig aandacht had voor toegepaste en de zachte wetenschappen. In de REF is nadrukkelijk aandacht en gewicht gegeven aan maatschappelijke impact in de beoordeling van universitair onderzoek. Omdat op basis van de REF-scores de onderzoeksgelden door UKRI worden verdeeld over de instituties, heeft dit direct financiële consequenties. De klassieke ‘OxBridge’ universiteiten en hun epigonen kregen niet meer zoals daarvoor min of meer automatisch de hoogste scores en grootste bedragen. De meer regionaal gerichte jonge universiteiten kwamen meer in positie in de REF.[42]
Het Strategisch Evaluatie Protocol (SEP)
In Nederland is in 2020 door de UNL, de KNAW en NWO, het SEP 2021-2027 vastgesteld dat sinds 2021 in gebruik is. Het is een nieuw protocol voor de nationale, zes-jaarlijkse beoordeling van het onderzoek in de universiteiten. Dit protocol is sterk gericht op het narratief en op de inhoudelijke en strategische evaluatie door experts en ‘peers’, en legt minder nadruk op kwantitatieve indicatoren. Het gebruik van JIF is niet toegestaan, en ook wordt informatie over de H-index, aantallen publicaties, en verworven subsidies slechts ter ondersteuning van de narratieven gebruikt. Er ligt veel nadruk op leiderschap, de academische cultuur, en talent management.[43]
Het SEP 2021-2027
The research unit’s self evaluation:
• Vision, strategy and aims of the research are outlined
• Results: Narratives (supported by data)*
• Free choice of indicators for impact Evaluation is in relation to the unit’s strategy
Three criteria:
Research Quality, Societal Impact and Viability
Four Aspects:
1. Open Science practices and efforts
2. PhD policy and Training
3. Academic Culture (Openess, Safety, Inclusiveness, Research Integrity)
4. Human Resources Policy (Diversity, Talent Management
*Compatible with DORA
In de EU, en in meerdere landen buiten de EU, is nu veel aandacht voor het moderniseren van de evaluatie van onderzoek, onderwijs en de beoordeling van medewerkers aan de universiteit. In de EU is onder leiding van de European Association of Universities (EUA), Science Europe[44] en het Directoraat-Generaal Onderzoek en Innovatie van de Europese Commissie in januari 2022 een Coalition for Advancing Research Assessment (CoARA)[45] gevormd die een overeenkomst hebben opgesteld voor de implementatie van onderzoeksevaluatie in de komende jaren.[46] De coalitie is in het najaar van 2022 in de volgende fase gekomen, waarbij een organisatiestructuur is afgesproken waarin meer dan 350 universiteiten, koepels van universiteiten (UNL, EUA, LERU, COIMBRA), publieke subsidiegevers (Science Europe) en jonge wetenschappers uit meer dan 40 landen participeren. Alle universiteiten van Nederland en de koepel UNL en NWO hebben getekend.[47], [48]
Fundamenteel onderzoek in maatschappelijke context
De transitie naar een systeem van Erkennen en Waarderen, waarin de bovengeschetste noodzakelijke veranderingen in de wetenschap gefaciliteerd en beloond worden is voor de samenleving, de overheden, het publiek en de universiteiten essentieel om de impact van de universiteiten in de 21ste eeuw te garanderen. Dat nieuwe Erkennen en Waarderen zal de gewenste pluriformiteit van het onderzoek en de onderzoekers in de academie moeten reflecteren. Kwaliteit en excellentie zijn zeer context gebonden, en worden bepaald door de strategie en de doelen van het instituut, de afdeling en het team. Tevens zal het de pluriformiteit en diversiteit van de samenleving in de universiteit zich moeten reflecteren in de medewerkers ten aanzien van equality, diversity en inclusion.
Voor velen zal dit een logische en goede aanpassing betekenen aan de eisen van de tijd. Anderen hebben het gevoel dat dit indruist tegen hun idee over excellentie in de wetenschap en de academie.[49] Deze transitie raakt dus aan hele diepgevoelde en soms zeer verschillende overtuigingen van professionals, die bepalend zijn voor reputatie, aanzien, positie en macht in de academische wereld en daarbuiten. Vooral voor onderzoekers uit de ‘harde’ wetenschappen, oud maar ook jong, kan dit voelen als een verlies. Immers horen zij tot de disciplines die hoog in de oude hiërarchie staan. Er is een vrees dat fundamentele wetenschap aan het kortste eind gaat trekken in deze transitie. Waarin de agenda van de wetenschap zich meer laat leiden door vragen uit de samenleving. Deze discussie was prominent in de VS na 1945. Die vragen uit de samenleving, zo vreest men, zullen vooral sturen op korte termijn problemen, slechts met behulp van toegepast of technologisch onderzoek waarin geen werkelijk nieuwe kennis wordt geproduceerd maar die op de lange termijn impact kunnen hebben. Het blijkt echter uit onze ervaring dat er onder andere in de patiëntenlobby voor onderzoek naar cardiologische ziekten, aids, kanker, longziekten en bijvoorbeeld depressie en autisme, best begrip is voor fundamenteel onderzoek, als men ook aan problemen werkt die op de kortetermijnoplossingen kunnen bieden.
Afgezien van het feit dat er altijd genoeg ruimte voor curiosity-driven science moet en zal blijven, leert de geschiedenis van wetenschap en innovatie ons keer op keer dat onderzoek in de context van hele concrete maatschappelijke problemen deels de vorm van heel basaal onderzoek kan en moet hebben. De aanduiding curiosity-driven research voor fundamenteel onderzoek is dus misleidend, want ook toegepast onderzoek is uiteraard zeer gedreven door nieuwsgierigheid van de onderzoekers. Het is juist de mix van meer basaal en toegepast onderzoek die veel impact kan hebben wanneer ze dicht bij de praktijk wordt uitgevoerd. Het klassieke voorbeeld is Pasteur, die heel fundamenteel werk deed naar aanleiding van prangende vragen uit de praktijk. Vandaar dat dergelijk fundamenteel onderzoek − use-inspired research − ‘Pasteur’s Quadrant’ is genoemd[50].
Vanuit een heel andere invalshoek komen er ook bezwaren tegen het afschaffen van bibliometrie vanuit instituten en landen waar men cijfermateriaal gebruikt om nepotisme en bijvoorbeeld politieke benoemingen tegen te gaan, en waar de metrics juist als objectieve indicator worden gebruikt. Dit is begrijpelijk, maar gezien de discussie hierboven, is het gebruik van ‘poor proxies for quality’ niet de juiste manier om die praktijk van problematische benoemingen tegen te gaan.
In de komende jaren moeten we in CoARA en andere acties veel aandacht hebben voor nationale en culturele verschillen in de inrichting van Erkennen en Waarderen.[51] Pluriformiteit en verschillen in tempo zijn essentieel. Het lijkt een logische ontwikkeling, en er is door meerderen bepleit dat een dergelijke Coalition of the Willing ook voor de beoordeling van onderwijs moet worden gestart.
Andere instrumenten
Open Science dwingt, dat moge duidelijk zijn, tot het inzetten van andere instrumenten en andere vormen van onderzoek en onderwijs. Allereerst moeten studenten niet alleen in het bedrijven van wetenschap worden opgeleid, maar juist ook in reflectie op het wetenschapsbedrijf. Zo voorzien we voor de toekomstige universiteit een doorlopende leerlijn van ‘reflectie en scientific literacy’, gericht op het zelfstandig kunnen reflecteren op de positie van de wetenschap in de samenleving, als onderdeel van een ‘core curriculum’ in elke Bachelor, Master en in het PhD onderwijs. Deze leerlijn is gericht op wat wetenschap, onderzoek en de universiteit moet zijn in de tegenwoordige tijd en onze wereld. In onderzoek en onderwijs zal innovatie moeten plaatsvinden samen met vele verschillende maatschappelijke partners om de samenleving met haar vragen en ervaringen de universiteit, de collegezalen en laboratoria binnen te halen. Ook in de aard van het onderwijs, de doelen en vormen, is Open Science zichtbaar en sturend. We verwijzen hiervoor naar het onderwijshoofdstuk waar dit nader wordt uitgewerkt.
Andere instrumenten van kennisdisseminatie dan de klassieke wetenschappelijke output moeten daarnaast ook worden ontwikkeld. De output moet een wezenlijke aanvulling zijn op de nu klassieke artikelen, inclusief open acces en open data, die vooral gericht zijn op collega-wetenschappers. Bij het beoordelen van onderwijsimpact moet veel breder gekeken worden dan studenttevredenheid, naar kwaliteit, maar ook naar de rol en plaats van het onderwijs, en het bereiken van diverse doelgroepen in en met het onderwijs. In de huidige tijd staan ons zeer vele vormen van communicatie, via veelsoortige media, ter beschikking. Daarvan wordt al een groot aantal vormen gebruikt, zoals podcasts, media-optredens, via het internet geschreven of gesproken blogs, video opnamen vanuit maatschappelijke situaties en wetenschapswinkels. Ook toneel en muziek zal op diverse manieren worden ingezet om een diversiteit aan ‘publieken’ te bereiken. Deze – vaak interactieve – vormen van communicatie zijn voor jonge mensen volstrekt vanzelfsprekend, maar voor collega’s die zijn opgegroeid en gevormd in de nog meer klassieke universiteit vanaf 1980 zijn dit op het eerste gezicht mogelijk niet erg ‘academisch aandoende’ middelen. Medewerkers zullen worden opgeleid en gestimuleerd om die instrumenten te ontwikkelen en om ze adequaat in te zetten. Zoals hierboven beschreven, moderniseert de universiteit de evaluatie (beoordeling) van haar medewerkers en criteria voor de werving en selectieprocedures zodat haar medewerkers worden gewaardeerd voor al deze vormen van academische output en impact.
De blik naar buiten
In de komende jaren zal de universiteit, nog meer dan nu al het geval is, de blik naar buiten moeten richten. In samenlevingen die zeer kennisintensief zijn en dat nog in toenemende mate zullen worden, is de universiteit met haar kennisproductie een essentiële factor. Die kennis kan van diverse technische en technocratische aard zijn, maar ook is de laatste decennia gebleken dat de inbreng van sociale wetenschappen en de humaniora in het bieden van inzicht en voor het ontwikkelen van oplossingen in onze huidige, hypermoderne, complexe samenleving onontbeerlijk zijn. Sterker nog, onderzoekers uit zeer diverse disciplines zullen vaak en steeds meer samen nodig zijn bij onderzoeksprojecten in samenwerking met maatschappelijke stakeholders.
Voor de meeste universiteiten tot 2010 was de blik gericht op het internationale speelveld, in een mondiale competitie en de markt van hoger onderwijs en onderzoek en haar rankings. Om meerdere redenen is daarin sindsdien een kentering gaande waarbij universiteiten meer betrokken worden bij problemen in de regio en op nationaal niveau. Op nationaal niveau zien we in Nederland, maar ook elders, in hoog tempo regionale allianties ontstaan tussen universiteiten, universitair medische centra en ook hogescholen. Hier wordt naar inhoudelijke synergie en complementariteit gezocht die noodzakelijk is voor het adequaat en sociaal verantwoord adresseren van complexe maatschappelijke problemen.
De EU en verder
Voor universiteiten en andere instellingen voor hoger onderwijs en onderzoek in de EU is het zonneklaar, de Europese Unie zal snel en fors in belang toenemen voor de strategie en positiebepaling van de universiteiten. Dit zal vanuit een weloverwogen EU-strategie op korte en lange termijn gebeuren en zeker ook gaan om de allocatie van veel van haar financiële middelen naar instituten en lidstaten. De EU beraadt zich al enige tijd op haar positie in het mondiale veld, waar ze meer dan ooit kijkt naar ontwikkelingen in de VS, China en Rusland − de grote spelers − maar ook naar die in de landen in ‘the global South’. De bijdrage van R&D en onderwijs aan de maatschappelijke, economische, sociale, culturele en democratische ontwikkeling van de EU zijn in die EU-strategie van eminent en doorslaggevend belang.
De EU heeft een lange traditie waarin ze research, innovatie en onderwijs stuurt op excellentie, maar heel expliciet daarbij ook op de verbinding met de problemen in de samenleving. Dit gebeurt sinds decennia door het strategisch inzetten van financiële middelen via de European Research Council (ERC) en meer strategisch, thematisch geformuleerde programma’s. HORIZON 2020 en HORIZON EUROPE maken dat zeer duidelijk, waarbij missiegedreven R&D de agenda bepaalt. Ten aanzien van Open Science neemt de EU blijvend een actieve en directieve houding aan.
In 2017 heeft men besloten een belangrijke en kritische stap vooruit te zetten met het European University Initiative.[52] Hier streeft men zeer actief naar het opzetten van langdurige allianties tussen minimaal zeven universiteiten en hogescholen uit verschillende lidstaten. Op deze manier wordt een Europese Campus gebouwd over geografische, historische, culturele en sociaaleconomische verschillen heen. De ambitie is groot, variërend van European Degrees, verhoogde mobiliteit en het aantrekken van toptalenten, tot nieuwe Europese entiteiten van hoger onderwijs, onderzoek en innovatie. Het onderzoek is gericht op innovatie van onderwijs, en draait ook om grote thema’s en missies op Europees niveau. Deze allianties, die in de komende jaren tot 500 universiteiten en hogere scholen moeten uitgroeien, committeren zich aan Europees-, challenge-based onderzoek en onderwijs, waarbij complexe vraagstukken en uitdagingen in de samenleving centraal staan. De EU is voornemend langs de weg van de allianties financiële middelen voor onderzoek en onderwijs toe te wijzen.[53] Het is duidelijk dat deze stappen een reactie zijn op geopolitieke ontwikkelingen sinds 2016.
De blik naar buiten moet om meerdere goede redenen verder reiken dan Europa. De UNESCO’s ‘Recommendations on Open Science’ maakt dat weer eens zeer duidelijk.[54] De groeiende ongelijkheid in de wereld verdient onze voortdurende aandacht. Naast de nodige politieke acties gericht op de universele rechten van de mens, de open samenleving, democratie via internationale betrekkingen en samenwerking, is er een verwachting voor de rol van de wetenschap. Veel van de problemen waarmee we heden ten dage worden geconfronteerd zijn niet beperkt tot nationale landsgrenzen maar spelen zich af op mondiaal of continentaal niveau. Het zijn daarnaast, zoals hierboven besproken, overwegend problemen van complexe aard waarvoor teams met experts van diverse academische disciplines nodig zijn die gerekruteerd moeten worden uit de verschillende betrokken landen en regio’s. Alleen op die manier kan onderzoek en onderwijs bijdragen aan het vinden van politiek-werkbare en breed, sociaal acceptabele oplossingen voor bijvoorbeeld de klimaatcrisis of het bestrijden van schrijnende ongelijkheid.
Het is aan de universiteiten om hun medewerkers te doordringen van de noodzaak van deze aanpak in de ‘EU and Beyond’. Het belang van samenwerken internationaal moet in het onderwijs een plek krijgen en zich nog meer gaan vertalen in de inclusiviteit en diversiteit van de medewerkers en de onderzoekagenda. Ook hier is bezinning op de identiteit en de positie van de universiteit in de samenleving, en in dit geval de mondiale samenleving, dus van belang. Het zich uitspreken voor- en bewaken van de EU-normen en waarden, zoals de open samenleving en liberale democratie, geeft richting aan de keuzes voor onderzoek en onderwijs. Dat is normatief, maar gebaseerd op onbetwiste menselijke waarden.
Slotbeschouwing
In het voorgaande hoofdstuk zijn een aantal actuele belangrijke ontwikkelingen besproken die raken aan de relatie tussen academie, universitair onderwijs en onderzoek, en de samenleving. De transitie naar Open Science, waarin de open blik en houding naar de samenleving centraal staat, is geen vrijblijvende studeerkamer exercitie. Het is helder dat de universitaire gemeenschap moet reageren op de verschillende sterke signalen uit de samenleving. Dat heeft met de urgentie van de grote vraagstukken te maken waar we ons nu voor gesteld zien. We hebben gedacht dat we in de moderne tijd de zaken wel onder controle hadden, de economie bijvoorbeeld, de infectieziekten en de oorlogen. Dat de klimaatcrisis wel opgelost zou worden door de technische vernuftige wetenschappers, dat is grotendeels een illusie gebleken. Tegelijk weten we ook dat we wetenschappelijke inzichten wel heel hard nodig hebben en moeten bundelen om de grote uitdagingen waar we voor staan het hoofd te gaan bieden. Er is dus constant intense aandacht van de wetenschap en de gehele internationale universitaire gemeenschap nodig om de ‘Sustainable Development Goals’ van de Verenigde Naties aan te pakken via de bètawetenschappen, biomedisch vernuft, en techniek, maar minstens evenzeer ook door inzichten vanuit onderzoek in de alfa- en gammawetenschappen. De maatschappij en haar problemen zijn absoluut niet alleen technisch van aard maar misschien wel in nog belangrijkere mate sociaal-cultureel, en daarmee haar oplossingen ook.
In het voorgaande zijn acties benoemd die aan deze beweging een bijdrage gaan leveren. Daarvoor moeten universiteiten zich bezinnen op hun rol, identiteit, functioneren en relaties met de samenleving. Daar spelen de diversiteit van de context, regionale en nationale maar ook culturele en historische factoren, een grote rol. Vanuit dit reflecteren moeten universiteiten tot acties overgaan waarvan hier een groot aantal, meestal generiek, zijn besproken. Die acties komen tot uitdrukking in keuzes op inhoud, van onderwijs en onderzoek en ten aanzien van de inrichting van de universiteit die deze acties en keuzes faciliteren. Dit stelt hoge eisen aan het leiderschap, academisch maar ook bestuurlijk, want dat is essentieel in het vormgeven van de universiteit. Hier spelen grote vragen die raken aan het waardepatroon, verantwoordelijkheid en strategie & missie, het aansturen, het alloceren van middelen, samenwerken op de diverse niveaus en modern HRM beleid. Elders in dit boek zal dit nader besproken worden.
We gebruiken de aanduiding ‘Open Science’ omdat dit sedert jaren en internationaal nu de naam voor de beweging is. Dit gaat dus over alle wetenschappen, inclusief SSH. Onder de noemer van Open Science voor wetenschap wordt begrepen onderzoek en onderwijs, dus ‘Open Science and Education’ zou een goede Engelse aanduiding zijn. ↑
Miedema, F. (2022). Open Science: The Very Idea. Springer. ↑
Fecher, B. & Friesike, S. (2014). Open Science: One Term, Five Schools of Thought. In F. S. Bartling (Red.), Opening science. Springer. ↑
Oorspronkelijk was het Open Data, maar er is FAIR toegevoegd, dat staat voor Findable, Accessible, Interoperable and Reusable; zie: go-fair.org↑
Miedema, F. (2022). Open Science: The Very Idea (p. 67-108). Springer. ↑
United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization (UNESCO). (z.d.). Open Science: Making science more accessible, inclusive and equitable for the benefit of all. unesco.org/en/open-science↑
European Commission. (2015). Open Innovation, Open Science, Open to the World. Geraadpleegd van: digital-strategy.ec.europa.eu/nl/node/10395↑
Zie: government.nl↑
Miedema, F. (2022). Open Science: The Very Idea (pp. 179-210). Springer. ↑
De Knecht, S., Van der Meer, M., Brinkman, L., Kluijtmans, M. & Miedema, F. (2021). Reshaping the Academic Self: Connecting Education & Open Science. Zenodo. ↑
Universiteit Utrecht. Open-education. Geraadpleegd van openscience.nl↑
Dit is een van de normatieve uitgangspunten, idealen van de klassieke wetenschapssociologie van Merton uit de het midden van de vorige eeuw. Miedema, F. (2012). Science 3.0, Real Science, Real Knowledge (Hoofdstuk 4). Amsterdam University Press. ↑
Zie de website van CoalitionS: coalition-s.org↑
Brainard, J. & Kaiser, J. (2022, 26 augustus). White House requires immediate public access to all U.S.-funded research papers by 2025. ScienceInsider. science.org/content/article/white-house-requires-immediate-public-access-all-u-s--funded-research-papers-2025↑
JIF is een maatstaf voor de frequentie waarmee artikelen in een bepaald tijdschrift worden geciteerd. Die frequentie bepaalt dan de status van het tijdschrift in het geheel van tijdschriften. ↑
Plan S. (2021, 3 september). Diamond unearthed: shining light on community-driven Open Acces Publishing. Plan S. coalition-s.org/diamond-unearthed-shining-light-on-community-driven-open-access-publishing↑
Becerril, A. et al. (2021). OA Diamond Journals Study. Part 2: Recommendations. Zenodo. zenodo.org/records/4562790↑
Liefst ‘open peer review’, waarbij de namen van auteurs en reviewers bekend zijn. ↑
Beigel, F. (2021, 28 juni). Latin America could become a world leader in non-commercial open science. The Conversation. theconversation.com/latin-america-could-become-a-world-leader-in-non-commercial-open-science-161019↑
Een dergelijke opslagplaats bevat data of artikelen die nog niet zijn peer reviewed of geaccepteerd door tijdschriften. ↑
UNESCO. (z.d.). Open Science: Making science more accessible, inclusive and equitable for the benefit of all. unesco.org/en/open-science↑
Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra. (z.d.). Valorisatie: Maatschappelijk verantwoord licentiëren. nfu.nl/themas/randvoorwaarden-wetenschappelijk-onderzoek/valorisatie↑
Zie de website van Novo Nordisk Foundation: novonordisk.com↑
Auteurs Tekstbox: Marjanneke Vijge en Anissa Triyanti ↑
In dat verband zijn ook de initiatieven rond ‘Responsible Research and Innovation’ (RRI) in de context van de Europese Kaderprogramma’s van belang. ↑
Jasanoff, S. (1992). What Judges Should Know about the Sociology of Science. Jurimetrics, 32(3), p. 345-59. doi.org/10.1177/030631298028005007↑
Jasanoff, S. (2012). Science and Public Reason. Routledge. ↑
Zie de discussie over het werk van Shapin en Longino in: Miedema, F. (2022). Open Science: The Very Idea (pp. 15-66). Springer. ↑
Miedema, F. (2022). Open Science: The Very Idea (Hoodfstuk 4). Springer. ↑
Epstein, E. (2007). Inclusion: The Politics of Difference in Medical Research. University of Chicago Press. ↑
Miedema, F. (2010). Wetenschap 3.0. Van Academisch naar Post Academisch Onderzoek (Hoofdstuk 9). Amsterdam University Press. ↑
Merton, R. M. (1973). The Sociology of Science: Theoretical and Empirical Investigations. University of Chicago Press. ↑
Hessels, L. K., Van Lente, H. & Smits, R. (2009). In Search of Relevance: The Changing Contract between Science and Society. Science and Public Policy, 36(5), p. 387-401. doi.org/10.3152/030234209x442034. Hierna is een door Hessels 2009 gepubliceerde bewerking van de ‘credibility cycle’ van Latour en Woolgar (1986) te zien. ↑
Moher et al. (2018). Assessing Scientists for Hiring, Promotion, and Tenure. PLoS Biology, 16(3). doi.org/10.1371/journal.pbio.2004089↑
Wouters, P. (2014). The Citation: From Culture to Infrastructure. In B. Cronin & C. R. Sugimoto (Reds.), Beyond Bibliometrics, Harnessing Multidimensional Indicators of Scholarly Impact (pp. 47-66). MIT Press. ↑
Miedema, F. (2022). Open Science: The Very Idea. Springer. ↑
Zie voor The Declaration on Research Assessment (DORA): sfdora.org↑
Zie voor het position paper: scienceintransition.nl/over-science-in-transition/position-paper. ↑
Responsible Metrics. (2022). The Metric Tide Revisited. responsiblemetrics.org/2022/08/11/the-metric-tide-revisited/↑
gezondheidsraad.nl/documenten/adviezen/2016/10/12/onderzoek-waarvan-je-beter-wordt↑
Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). (2019). Position paper ‘Ruimte voor ieders talent’. nwo.nl/position-paper-ruimte-voor-ieders-talent↑
Barker, K. (2007). The UK Research Assessment Exercise: The Evolution of a National Research Evaluation System. Research Evaluation, 16(1), 3-12. doi.org/10.3152/095820207X190674; zie voor de website van de REF: ref.ac.uk↑
Vereniging Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (NSVU), KNAW & Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). (2020). Strategy Evaluation Protocol 2021-2027. Geraadpleegd van: universiteitenvannederland.nl↑
Een associatie van publieke organisaties die onderzoek financieren of uitvoeren, zie: scienceeurope.org↑
Directorate-General for Research and Innovation. (2022). Reforming research assessment: The Agreement is now final. European Commission. research-and-innovation.ec.europe.eu↑
KNAW. (2022, 11 oktober). Nederlandse kennisinstellingen tekenen Europees akkoord Evaluatie van wetenschappelijk onderzoek. KNAW Nieuws.knaw.nl/nieuws/nederlandse-kennisinstellingen-tekenen-europees-akkoord-evaluatie-van-wetenschappelijk↑
Poot et al. (2021, 19 juli). Nieuwe Erkennen en waarderen schaadt Nederlandse wetenschap. Science Guide.scienceguide.nl/2021/07/nieuwe-erkennen-en-waarderen-schaadt-nederlandse-wetenschap/↑
Stokes, D. E. (1997). Pasteur’s Quadrant: Basic Science and Technological Innovation. Brookings Institution Press. ↑
European Commission. (2017). MLE on Open Science: Almetrics and Rewards. projects.research-and-innovation.ec.europa.eu/en/statistics/policy-support-facility/mle-open-science-altmetrics-and-rewards↑
European Commission. (2022, 18 januari). Read-out of the weekly meeting of the von der Leyen Commission by Margaritas Schinas, Vice-President of the European Commission, and Mariya Gabriel, European Commissioner, on higher education [Video]. EC Audiovisuele Service. ↑
Zie in dat kader: charm-eu.eu↑
UNESCO. (z.d.). Open Science: Making science more accessible, inclusive and equitable for the benefit of all. unesco.org/en/open-science↑