“Proloog” in “De Universiteit in Transitie”
Proloog
Dat universiteiten vitale, veerkrachtige instituties zijn met een groot aanpassingsvermogen is tijdens de coronapandemie nog maar weer eens gebleken. In een paar dagen tijd ging vrijwel al het onderwijs online en kon ook veel van het onderzoek worden voortgezet door opzet of methode te veranderen, onderdelen te temporiseren, labtijden te flexibiliseren etc. Tijdens de pandemie bleek ook weer eens overduidelijk wat de enorme betekenis is van fundamenteel én toegepast onderzoek is voor de samenleving, zeker als dit onderzoek plaatsvindt in een internationale context; met een ontzagwekkende snelheid konden vaccins, medicijnen en behandelmethoden worden ontwikkeld.
Gelijktijdig werd ook zichtbaar dat er in delen van de samenleving grote scepsis bestaat ten aanzien de resultaten van wetenschappelijk onderzoek, zeker als op basis daarvan wordt ingegrepen in vrijheden en rechten van burgers, zoals bij tal van overheidsmaatregelen ter bestrijding van de pandemie, maar ook die in het kader van de aanpak van de klimaatcrisis. Op de sociale media worden in een rap tempo alternatieve waarheden ontwikkeld, die wetenschap reduceert tot ‘ook maar een mening’.
In de achterliggende jaren werden universiteiten nog met andere zorgen geconfronteerd. Academische vrijheid en institutionele autonomie staan op veel plaatsen onder druk, ook in landen waar deze vrijwel onaantastbaar leken zoals in de Verenigde Staten van Amerika. Prestatie- en werkdruk, gecombineerd met gebrekkige financiering doen universiteiten in hun voegen kraken. In het bijzonder de prestatiedruk heeft zelfs tot een fundamentele vragen geleid: welke prestaties zijn eigenlijk de moeite waard? En: voor wie willen we eigenlijk prestaties leveren? Vragen die in essentie gaan over de legitimiteit van de universiteit.
Als vanzelf stelt zich dan de vraag hoe de universiteit zich gaat ontwikkelen. Nog interessanter was voor ons de vraag: hoe hopen we dat de universiteit zich gaat ontwikkelen? Misschien zelfs wel: wat is de ideale universiteit? Dat zou al snel kunnen leiden tot futuristische dagdromerij, waar alleen maar tijdelijk plezier aan valt te beleven. De opdracht die wij ons gesteld hebben, is om na te denken over een wenkend perspectief dat een stevige basis heeft in de realiteit, in de ontwikkelingen die we om ons heen zien.
Natuurlijk wordt er voortdurend nagedacht over de manier waarop de universiteit zich ontwikkelt. Dat heeft in de recente jaren ook interessante publicaties opgeleverd, zoals die van de voormalige rector magnificus van de UU, Bert van der Zwaan, onder de wat omineuze titel: ‘Haalt de universiteit 2040?’[1] Daarin behandelt hij vooral het stelsel van hoger onderwijs in Europees in internationaal perspectief. Daarnaast was er ook nog de publicatie van Floris Cohen, verleidelijk getiteld: ‘De ideale universiteit’, waarin hij zich grotendeels baserend op een aantal funderende beginselen, zette aan het ontwerp van een nieuwe universiteit, die op onderdelen toch verrassend veel lijkt op de universiteit die we in het (verre) verleden kenden.[2] Deze en vele andere publicaties hebben onze gedachten gescherpt én ons tot de conclusie gebracht dat het de moeite waard zou kunnen zijn om nog eens verder na te denken over de toekomst van de universiteit vanuit de inhoudelijke ontwikkeling van de kerntaken van de universiteit, te weten onderwijs, onderzoek en maatschappelijke impact. Die kerntaken ontwikkelen zich in de context van dé grote culturele verandering in de academische wereld in de huidige tijd, die naar Open Science. In wezen gaat het er bij deze verandering om dat de universiteit zich meer wil verankeren in de samenleving door de grote maatschappelijk uitdagingen op lokaal, regionaal en globaal niveau meer centraal te stellen in onderwijs en onderzoek, maar ook door meer aan de samenleving terug te geven.[3] Hoe is het onderwijs en onderzoek zich, mede in die context aan het ontwikkelen?
De universiteit, dat zijn de mensen, en daarom is het ook van groot belang om te bezien hoe de universitaire gemeenschap zich ontwikkelt en idealiter zich zou kunnen ontwikkelen. Vanzelfsprekend moet dan ook het oog gericht zijn op de organisatie van de universiteit. Hiermee zijn ook al de hoofdthema’s van dit boek gegeven: onderwijs, onderzoek, samenleving, gemeenschap en organisatie. Het geheel wordt gecompleteerd door een korte historische schets en een epiloog waarin de voornaamste conclusies en wenkende perspectieven bij elkaar worden gebracht.
Onze ambitie reikt, op bescheiden wijze, verder dan het louter beschrijven van wat we menen waar te nemen; we willen ook aangeven welke vervolgontwikkelingen we verwachten en wenselijk vinden. Soms geven we ook aan welke stappen nodig zijn om bepaalde idealen te kunnen realiseren. En uiteraard zijn het daarmee ook aanzetten voor discussie.
Er zijn er velen die relevant zijn voor het bepalen van de toekomst van de universiteit. Allereerst de leden van de universitaire gemeenschap zelf, studenten en medewerkers. Daarnaast zijn er natuurlijk ook de politici, beleids- en opiniemakers. En daarbuiten zijn er tal van andere actoren die van betekenis zijn, of op zijn minst geïnteresseerd zijn in het functioneren van de universiteit en op beslissende momenten, bijvoorbeeld bij verkiezingen, invloed kunnen uitoefenen.
Met dat brede publiek voor ogen hebben we geprobeerd een zo toegankelijk mogelijk boek te schrijven, met veel ruimte voor uitleg en voorbeelden. Aangezien wij alle drie verbonden zijn aan de Universiteit Utrecht, en we rijkelijk geput hebben uit onze eigen ervaringen, zal het niet verbazen dat nogal wat voorbeelden afkomstig zijn uit Utrechtse praktijken. Daarmee is het geen ‘Utrechtse visie’ geworden, laat staat dat we de Universiteit Utrecht ten voorbeeld willen stellen. Integendeel, volgens ons is datgene wat we behandelen op zijn minst in meer of mindere mate relevant voor alle Nederlandse universiteiten. Hoogwaardig onderzoek is per definitie internationaal, en daarmee is de universitaire wereld per definitie ook een internationale wereld, waarbinnen de laatste jaren de Europese Unie in toenemende mate van belang is, zowel beleidsmatig als voor onderzoeks- en onderwijsfinanciering. Die internationale, en in het bijzonder Europese context, zal in dit boek dan ook vaak aan bod komen.
Vanwege die internationale context is het van belang om aan te geven wat in dit boek onder universiteit verstaan. We zullen het vooral hebben over wat internationaal wel aangeduid wordt als ‘research universities’. Dat zijn niet, zoals wel eens wordt gedacht, universiteiten die prioriteit geven aan onderzoek. Het gaat om instellingen van hoger onderwijs die onderzoek als basis van hun activiteiten hebben, en waarbij het onderzoek dus ook de basis vormt voor het onderwijs. Dit in tegenstelling tot hoger onderwijsinstellingen waarbij dit niet primair het geval is. In internationaal verband worden deze vaak aangeduid als ‘university of applied sciences’. Het Nederlandse Hoger Beroeps Onderwijs past in de laatste categorie. In de praktijk is het onderscheid tussen deze beide types instelling niet zo scherp te maken; (toegepast) onderzoek krijgt ook steeds meer aandacht in de hoek van de universities of applied sciences. Het is dan ook begrijpelijk dat, zeker binnen de EU, in toenemende mate wordt uitgegaan van gelijkwaardigheid van beide types instelling. Er blijft echter ook een waardevol en te koesteren verschil tussen de instellingen die gericht zijn op opleiden van mensen die nieuwe hoogwaardige kennis genereren, en instellingen die zich richten op het opleiden van mensen die in staat zijn hoogwaardige kennis toe te passen (en daar ook onderzoek naar doen).[4] Dit boek gaat vooral over dat wat er gebeurt aan het eerstgenoemde type instelling. Veel van wat wij te melden hebben zal echter ook relevant zijn voor HBO-instellingen, zeker op het gebied van onderwijs. Maar ons past hier ook bescheidenheid; we kennen het HBO niet van binnenuit.
Velen hebben ons geïnspireerd bij dit project. Allereerst tal van nationale en internationale auteurs. Maar zeker zo waardevol waren de inzichten die naaste collega’s en studenten met ons wilden delen. Toen we met het onderwerp aan de slag gingen hebben we een drietal bijeenkomsten belegd met studenten en collega’s van wie we zeker wisten dat ze affiniteit, kennis en ervaring hadden op de onderwerpen die we in het bijzonder breder wilden bespreken: onderwijs, public engagement en de universitaire gemeenschap. Aan onze uitnodiging om deel te nemen aan van wat wij ‘expert meetings’ genoemd hebben, werd massaal gehoor gegeven. De input, maar ook de belangstelling was zeer stimulerend. Achteraf kregen wij te horen dat het wel jammer was dat niet nog meer mensen aanwezig hadden kunnen zijn en dat de bijeenkomsten zo beperkt in aantal waren. Een mooiere manier om te merken dat een onderwerp waar je bezig bent ‘leeft’ is er eigenlijk niet. Wij danken alle deelnemers aan deze ‘expertmeetings’, en ook degenen die er niet bij konden zijn en ons schriftelijk van inbreng voorzagen. Hun namen zijn te vinden in een bijlage.
Degene die we zeker ook willen bedanken is Claire Stalenhoef, ten tijde van het schrijven student aan de UU, in de Legal Research Master. Zij heeft voor de verzameling en bundeling van onderzoeksmateriaal gezorgd en ook de coördinatie van de expertmeetings was in haar handen. Zij gaf waardevolle inhoudelijke feedback en zorgde er ook voor dat we ook het studentperspectief voor ogen hielden. Datzelfde geldt ook voor Manar el Amrani, die halverwege het project de verantwoordelijkheden van haar overnam. Claire en Manar ‘organiseerden’ het auteursteam, hetgeen gelet op de bijzondere agenda’s van de schrijvers bepaald een uitdaging was. Met schijnbaar onuitputtelijke kwaliteit en opgewektheid hebben zij hun klussen geklaard.
Als auteurs hebben we het werk verdeeld. Manon Kluijtmans heeft de primaire verantwoordelijkheid gehad voor de hoofdstukken over onderwijs en gemeenschap. Frank Miedema heeft vooral de hoofdstukken over de transitie naar Open Science en die naar de interactie met de samenleving voor zijn rekening genomen. Henk Kummeling gaf de voorzet voor de andere stukken. Het geheel is echter een resultaat van een indringende samenwerking, waarvoor we gezamenlijk de verantwoordelijkheid nemen. In dat verband willen we ook zeker Maarten Post bedanken, die de rol van kritische meelezer vervulde. Hij heeft vooral gelet op de toegankelijkheid van de teksten, en hij heeft ook er ook voor gezorgd dat de hoofdstukken taalkundig wat zijn gestroomlijnd, waarmee overigens niet kon worden voorkomen dat de hand van een bepaalde auteur zichtbaar bleef. De hoofdstukken vertonen uiteraard samenhang, maar we hebben er ook voor willen zorgen dat ze afzonderlijk leesbaar en begrijpelijk zijn.
Geheel in lijn met de Open Science gedachte, maken we ons werk nu eerst digitaal beschikbaar voor iedereen. We zijn heel benieuwd naar reacties, suggesties en voorbeelden. Op basis daarvan gaan wij waarschijnlijk over een half jaar aan de slag met een nieuwe versie van de tekst, die ook op papier zal verschijnen.
Henk Kummeling, Manon Kluijtmans, Frank Miedema
April 2023
Van der Zwaan, Haalt de universiteit 2040? ↑
Cohen, De Ideale Universiteit. ↑
Uitvoeriger over de ontwikkeling van Open Science in Hoofdstuk 2. ↑
Zie ook het position paper VSNU-VH doorontwikkeling binair stelsel 2019 (https://www.universiteitenvannederland.nl/files/documenten/Publicaties/Position_paper_VH_VSNU_binair_stelsel_september_2019.pdf). ↑