“Hoofdstuk 5. De samenleving” in “De Universiteit in Transitie”
Hoofdstuk 5. De samenleving
Legitimatie
De universiteit leidt studenten op, doet onderzoek en draagt kennis over ten behoeve van de samenleving. Die opdracht is in Nederland vastgelegd in de Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek (WHW). Het opleiden gebeurt zowel in het onderwijs als in het onderzoek. De student leert dus, idealiter, om zelfstandig te denken en afwegingen te maken over het brede scala aan onderwerpen en problemen waar men in de samenleving als actief burger mee te maken kan krijgen en kan daar vanuit de eigen discipline aan bijdragen, samen met andere disciplines. Om dit te bereiken is de universiteit voor de student een plaats waar in openheid over complexe problemen kan worden gediscussieerd, waarbij verschillende perspectieven en ideeën aan de orde komen. Het gaat hierbij om feitenkennis ten aanzien van problemen, de historie en afhankelijkheden, maar ook om de diverse interpretaties die mensen hebben en de perspectieven op mogelijke oplossingen die zijn voorgesteld. Naast het verwerven van feitenkennis worden vaardigheden als luisteren, nieuwsgierigheid, begrijpen, analyseren en logisch redeneren aangeleerd en geoefend. In deze onderwijsvisie van de universiteit is ‘niet het vullen van het vat, maar het aansteken van de vlam’ het juiste beeld.
De toenemende interactie en relatie die de universiteit met de samenleving de komende jaren aangaat sluit aan bij het tijdsgewricht. De oude reflex om over de problemen van de samenleving te filosoferen in een leunstoel in de rust van een met boeken gevulde studeerkamer met uitzicht op de binnentuin is begrijpelijk en aantrekkelijk. Maar dit dient de missie van universiteit niet of in elk geval niet meer. Het gedoseerd binnenlaten van selecte problemen, zonder de mensen met die problemen binnen te laten en te betrekken, resulteert in de distantie. Hierbij wordt de academicus niet overweldigd en betrokken in de dagelijkse complexe werkelijkheid.[1] Deze distantie werkte goed voor iemand als Isaiah Berlin, die vanuit zijn studeerkamer op deze manier belangwekkend werk gedaan heeft op het gebied van de ethiek en de politieke filosofie. Hij was zich er, door eigen ervaring, zeer bewust van dat het in de praktijk brengen van die filosofie in de samenleving, met haar politieke problemen en machtsstrijd, een heel ander verhaal is.
Toch kunnen in gesprekken in de universiteit, tussen studenten en docenten, al wel grote verschillen van inzicht aan de orde komen, die niet abstract of theoretisch zijn, maar betrekking hebben op maatschappelijke problemen en hun mogelijke aanpak. Ze raken wel degelijk aan ‘dat andere verhaal’ zoals het hierboven werd aangeduid. De recente voorbeelden die veel aandacht krijgen zijn Black Lives Matter, diversiteit en inclusiviteit, racisme in bredere zin, misogynie en seksisme en het koloniale verleden. De discussie, het gesprek, over deze onderwerpen moet in de universiteit in alle openheid kunnen plaatsvinden. In die discussies worden het Wetboek van Strafrecht ten aanzien van bedreiging en belediging en de academische mores ten aanzien van de onderbouwing van uitspraken in acht genomen.[2] Als in een open samenleving en democratie ergens een platform is waar die uitwisseling en discussie mogelijk moet zijn en moet worden gekoesterd is het de universiteit. Juist in het zich verdiepen in de oorsprong, de diversiteit aan perspectieven en oplossingen van problemen wordt de student een volwaardig kritisch burger die de eigen afwegingen kan maken.
In dit proces, de discussie met medestudenten en docenten, gaat de student ook leren reflecteren op de eigen intellectuele en maatschappelijke positie, het mens- en wereldbeeld, de aannames daarin en hun herkomst.
Maatschappelijke relevantie
De roep om maatschappelijk relevantie, zoals die ook is vastgelegd in de WHW is niet nieuw. Bij de meer omvangrijke structurele internationale bewegingen en programma’s waarbij de relatie tussen de universiteit en de samenleving centraal stond, horen het Amerikaans pragmatisme (1900-1957), de Science and Society beweging in Engeland (1935-1950), de beweging van The Sixties: ‘participatory science’ en maatschappelijke relevantie (1960-1980), en Mode-2 research en co-creatie (1997-2001). Deze bewegingen zijn, zoals hieronder in dit hoofdstuk is besproken, verdwenen door veelal externe factoren, zoals de opkomst van het positivisme na de Tweede Wereldoorlog, respectievelijk ‘Sputnik’, de lancering in 1957 door de USSR van de eerste kunstmaan, en de Koude Oorlog; de associatie vooral in de VS van liberale en socialistische ideeën met het Stalinisme en Sovjet Rusland; en daarna de internationale neoliberale wending en de daar aan gerelateerde dominantie in de academie van de reductionistische ‘harde’ wetenschappen.[3]
Relevant voor het begrijpen van de relatie tussen wetenschap en samenleving is wat sinds 1960 vooral in de universiteiten in de VS en Europa, maar ook elders ter wereld is gebeurd. In de zestiger jaren schudde de Civil Rights beweging en het verzet tegen de wapenwedloop van de Koude Oorlog en de Vietnamoorlog in de VS de samenleving en de universiteiten op. Hier en daar ging het studentenactivisme toen helaas over in geweld, met een gewelddadige tegenreactie van de politie. In West-Europa kwamen in die tijd de studenten en de docenten voor het eerst voornamelijk uit de arbeidersklasse of middenklasse gezinnen met een liberaal-socialistische achtergrond. Ze liepen tegen een meer behoudende gevestigde orde in de universiteiten aan die van oudsher uit de christendemocratische toplagen van de samenleving kwam. De universiteit moest meer ‘maatschappelijke relevantie’ krijgen was toen het buzz-woord. Men wilde meer aandacht voor de problemen van de samenleving, de wapenwedloop, het milieu, kernenergie en in de eerlijke verdeling van middelen en kansen in ons eigen land maar vooral ook in de verhouding tot ontwikkelingslanden (The Global South). Hierbij vielen gelukkig geen doden, maar er vonden in Nederland wel protestacties plaats en bezettingen van universiteitsgebouwen, waarbij de Maagdenhuisbezetting in Amsterdam de voornaamste plaats in de geschiedenisboeken heeft gekregen.[4] De studenten kregen niet op alle fronten hun zin, wel inspraak en medezeggenschap. Het was de universiteit die met inachtneming van medezeggenschap, na die discussies bepaalde wat zou worden behandeld en moest worden bestudeerd. Er was tot de tachtiger jaren een aantoonbaar effect op de samenleving in het algemeen en de maatschappelijke oriëntatie van de programma’s van universiteiten te vinden in het curriculum en de vele extra curriculaire activiteiten zoals wetenschapswinkels. Er zijn meerdere visies op de origine en de impact van de studentenbeweging in Nederland[5], maar duidelijk is wel dat er veel geoogst werd van wat in de decennia daarvoor was gezaaid. Een zeer prominent voorloper en voorbeeld daarvan was de Utrechtse School van 1948 tot 1963,
‘een interfacultair samenwerkingsverband tussen wetenschappers in de geneeskunde, het strafrecht, de psychologie, de pedagogiek, de criminologie en de biologie (Langeveld, Baan, Buytendijk, Kempe, Hudig, Van Lennep, Pompe, Rümke, Van den Berg), die elkaar vonden in gedeelde overtuigingen over hoe mens en wereld begrepen zouden moeten worden’.[6],[7]
De Utrechtse School was wetenschappelijk vooruitstrevend, interdisciplinair en geëngageerd en daardoor zeer gericht op maatschappelijke impact, die ze in meerdere domeinen van de samenleving had en nog heeft.
Met politieke de draai naar het neoliberale denken vanaf 1980 was dit snel verdwenen en kwam er een sterke focus op de bijdrage aan een competitieve, nationale economie, op gezondheid en ‘healthy aging’ en dus op de economisch vruchtbare combinatie daarvan. Biomedische wetenschappers namen het roer en de bijbehorende belofte over van de fysici.[8] Tot 2010 is dit een dominante focus geweest in universiteiten overal ter wereld. Er was sprake van een internationale competitie, later bijna geheel gebaseerd op metrics, die eerst vooral correleerden met de academische impact en later werden aangevuld met ‘valorisatie’, de ‘derde opdracht’ van de universiteiten, die vooral afgemeten werd aan patenten, uitgegeven licenties en startups met aantallen arbeidsplaatsen. De samenwerking tussen universiteit, industrie en overheid – ‘The Triple Helix’ - kwam in die jaren tot volle wasdom overal ter wereld.[9]
Na de financiële crisis van 2008, werden de ongewenste effecten van de global economy en van het neoliberale denken in de maatschappij duidelijk. Tegelijkertijd keerde de volle aandacht voor het milieu terug door de versnelde effecten van de opwarming van de aarde. In de universiteiten groeide vanaf 2010 openlijk het ongenoegen en de frustratie van vele studenten, onderzoekers en docenten over de neoliberale cultuur die zeer dominant was geworden in de academie.
Public Engagement, de recente geschiedenis
In het kader van onze gedachtevorming over de Universiteit van 2030 is het nuttig om stil te staan bij het feit dat Public Engagement zoals het nu in de Open Science beweging is opgenomen, recent een aantal voorlopers had die meer of minder impactvol zijn geweest in de universiteit. Er zijn talloze kleine lokale initiatieven geweest, die om allerlei redenen niet breed geïnstitutionaliseerd zijn. In de Universiteit Utrecht is Science in Transition daarvan een voorbeeld. Dat initiatief is na drie jaar logischerwijze in 2016 opgegaan in Open Science. Elders zijn de geschiedenis en filosofie van deze bewegingen, en hoe ze werden ontvangen in de universiteit beschreven.[10] Eerdere initiatieven, zoals de EU ‘Responsible Research and Innovation’ (RRI) (2000- heden) en EU ‘Science with and for Society’ (SwafS)[11] (2014-heden) hadden een moeilijke tijd tot 2015 toen in de EU Open Science als de standaard werd verklaard. Daarin zijn met de leus ‘Open to Society’, Citizen Science/Public Engagement prominent geworden. In de EU is sindsdien zeer voortvarend een integraal Open Science beleid gestart, waarvan op een aantal essentiële aspecten nu implementatie in de lidstaten gaande is. In Nederland heeft de minister van OCW in november 2014 een wetenschapsvisie gepresenteerd die volledig paste bij het toenmalige RRI en het Open Science en Public Engagement gedachtengoed zoals het in de EU daarna vorm heeft gekregen.[12]
Hier is uitdrukkelijk een verbinding die verder gaat dan de economie en private partijen en bedrijven. Het publieke en algemene belang, ‘The Grand Challenges’ en de ‘Sustainable Development Goals’ en hoe de universiteit daaraan kan en moet bijdragen in de regionale en internationale context, in de EU, maar ook elders kwam weer sterk naar voren. In deze ontwikkelingen sinds 2008, culminerend in 2015, zou je een bewuste strategie en visie kunnen zien die het sociaal contract van de wetenschap met de samenleving weer opnieuw vormgaf. Het is bewust reageren, proactief inspelen op een samenspel van zaken die in de samenleving spelen, mondiaal en nationaal, en interne ontwikkelingen in de universiteit en de wetenschap.
In deze herdefiniëring van het contract met de samenleving speelde de toenemende bewustwording van de belangrijkste belanghebbenden, de burgers, een grote rol. Wetenschap werd meer en meer gezien als een sociale activiteit, steeds minder als een afgesloten of van de samenleving afgewende ‘ivoren toren’ technocratie waar we zestig jaar geleden huiverig voor waren geworden. De transitie naar Open Science zal de academie meer receptief, proactief en meer bewust maken in deze nieuwe relatie met de diverse burgers, overheden, bedrijven en hun problemen.
Engagement, betrokkenheid
‘Aan de hand van de actualiteit illustreerde Wieger Bakker (in 2016 zijn oratie[13]) dat in onze samenleving nog steeds groepen buitengesloten, afgewezen of onvoldoende gezien en gehoord worden. In een geëngageerd en gloedvol betoog bepleitte hij dan ook dat de universiteiten meer werk moeten maken van hun educatieve opdracht om maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef te bevorderen. Daarbij gaat het er volgens hem om dat studenten ook worden opgeleid om actief bij te dragen aan een open samenleving. Een samenleving waarin democratie, rechtstaat, burgerschap en respect voor verscheidenheid centraal staan en waarin iedere burger een volwaardig lid van de gemeenschap is.’[14]
In de meeste academische disciplines is het kiezen voor de grote en kleine problemen van de samenleving, waar dan ook ter wereld, tevens het kiezen voor het aangaan van ‘public engagement’. We denken hierbij aan een wederkerige relatie die beide partijen, de onderzoeker en een ‘eigenaar’ van een probleem uit de samenleving, in staat stelt om elkaar echt te begrijpen waardoor het goede onderzoek goed kan worden gedaan. Bovendien kunnen in zo’n langjarige respectvolle relatie de resultaten van het onderzoek in de juiste maatschappelijk context optimaal worden getest op hun impact en waarde.[15] Op deze manier worden significante en robuuste resultaten geproduceerd.[16],[17] Dit is goed voorstelbaar voor biomedisch onderzoek aan concrete psychiatrische of somatische problemen, zoals depressies en hartfalen, maar evengoed voor onderwijskunde waar bijvoorbeeld problemen ten aanzien van ongelijkheid in toegang en succeskansen in het onderwijs van kinderen met een immigratie achtergrond dominant zijn.
Deze visie op transdisciplinair onderzoek, waar hierboven de nadruk op leek te liggen, geldt uiteraard in dezelfde mate voor het onderwijs dat ook transdisciplinair moet zijn, zoals Bakker in zijn oratie heeft betoogd. Net als onderzoek begint onderwijs aan de universiteit met een probleem. Het onderzoek en onderwijs start waar dingen niet goed gaan of waar dingen niet zijn zoals ze zouden moeten zijn, waardoor mensen in een bepaalde omgeving of context gehinderd worden. Het leren nadenken, analyseren en syntheses en oplossingen bedenken aan de hand van problemen is de essentie van onderwijs.[18] Dat is de voorbereiding van onze studenten op het maatschappelijk functioneren als burgers. Er zijn de laatste jaren in veel universiteiten al prachtige voorbeelden waar deze filosofie wordt toe gepast.
Dit is de missie en de strategie waar ook de Universiteit Utrecht in 2020 expliciet voor heeft gekozen. Je kunt het beschouwen als een fundamentele herbezinning op de maatschappelijke legitimiteit van de universiteit en de wetenschap. De wetenschap en de universiteit mogen dan in haar wezen sociale activiteiten zijn waardoor in de ‘community of inquiry’betrouwbare en bruikbare kennis wordt geproduceerd, het is juist die sociale activiteit die haar met de maatschappij verbindt.[19] Hierdoor is de wetenschap via de universiteiten bij uitstek een belangrijke actor is die medeverantwoordelijkheid kan nemen voor de inrichting en de normen en waarden van de moderne open samenleving en de democratie draagt, schraagt, innoveert en bewaakt.
Autonomie en neutraliteit
Vanuit het perspectief van Open Science en Public Engagement, maken wetenschappers gemotiveerde keuzes voor de inhoud, kwaliteit en impact van onderzoek en onderwijs. Vanuit het missiegedreven denken over onderzoek en onderwijs, vanuit de diverse analyses van de vragen en problemen in de samenleving, regionaal en internationaal, worden keuzes gemaakt voor de onderzoekagenda van de universiteit. Hier is veel ruimte voor regionale en nationale prioriteiten, maar ook de ‘Sustainable Development Goals’ (SDG’s) van de United Nations zijn inspiratie voor onderzoek en onderwijs aan mondiale urgente problemen.[20]
Zoals we hierboven hebben gezien, komt steeds meer de normatieve kant van ‘responsible research and innovation’ in beeld, ten aanzien van de invulling van de onderzoekagenda op lager abstractieniveau. Vragen die daarbij opkomen zijn divers. Welke aspecten van economische ongelijkheid willen we onderzoeken? Welke onderdelen van de energietransitie? Aan welke nieuwe geneesmiddelen gaan we werken, en doen we dit met private partijen, ‘big pharma’ of liever met publieke instanties en overheden? Werken we mee aan militaire projecten? Zo ja, in welke politieke situaties worden die producten dan gebruikt of juist naar ons idee misbruikt? Deze vragen zijn echter niet uniek voor de 21ste eeuw.
Deze vragen stelde men zich vanaf 1945 na het gebruik van atoombommen op Hiroshima en Nagasaki. Die eerste kernwapens waren uitgedacht en geproduceerd in het beroemde Manhattan Project. Dat project was aangekaart bij F.D. Roosevelt in 1939 door Szilard en Einstein, dus vlak na de wetenschappelijke ontdekking van kernsplijting en kernreacties in Berlijn. Einstein tekende de brief vanwege zijn enorme autoriteit, want hij voelde zich er verantwoordelijk voor dat niet Nazi Duitsland, maar de VS als eerste kernwapens gebaseerd op kernsplijting en kernreacties ter beschikking zou hebben. Het idee was wel om de wapens als afschrikking te gebruiken.[21] Na het eerste gebruik door de VS in augustus 1945, wat dus tegen zijn zin gebeurde, was Einstein zeer actief in internationale initiatieven ter voorkoming van kernwapenproliferatie, vanuit datzelfde verantwoordelijkheidsgevoel als wetenschapper en expert. Ook in Duitsland was in de oorlog door natuurkundigen, voormalige collega’s van Einstein, hard gewerkt aan de ontwikkeling van atoombommen en lange afstandsraketten. Deze wetenschappers beriepen zich na de oorlog op de neutraliteit van de wetenschap:
‘Gebruik door verkeerde partijen met foute politieke oogmerken valt buiten de verantwoordelijkheid van de onderzoekers die pure kennis produceren. De ethische en politieke keuze hoe ze worden ingezet ligt buiten de wetenschap’.[22]
Het is niet verwonderlijk dat het beroep op de neutraliteit en de volledige autonomie van de wetenschap, zonder enige inmenging van niet-academische partijen, is gedaan door een groep positivistische filosofen en wetenschappers.[23] Zij hanteerden wetenschapsfilosofische argumenten en criteria om cognitieve, intern-wetenschappelijke argumenten strikt gescheiden te houden van waarden, normen en overwegingen van externe maatschappelijke aard. Deze wetenschapsfilosofen hadden daarnaast ook persoonlijke overwegingen. Ze hadden allemaal slechte ervaringen met die externe invloeden, want ze waren voor de oorlog, vanwege het Naziregime, voornamelijk vanuit Wenen naar vooral de VS en Engeland gevlucht. De afschrikwekkende ervaringen na 1945 met het Stalinisme, maar ook het militair- industrieel complex in het westen was koren op hun molen. Wetenschap, het ging toen alleen over de natuurwetenschappen, moest per definitie geheel los van de externe invloeden van de samenleving en haar problemen staan. Zij waren vanwege hun trauma en filosofie, uiteraard sterk gekant tegen socialistische en (neo-)marxistische Science for Society bewegingen, maar ook principieel tegen onderzoekagenda’s die vanuit de overheid worden aangestuurd. Tot ver in de zestiger jaren hielden zij dit vol. Immers, de overheid was geen stabiele factor die het altijd goed met de bevolking voor heeft, zo was hen gebleken. Het positivisme heeft van 1920 tot 1970 een enorme invloed gehad op onze manier van denken over wetenschap, steeds vanuit het beperkte perspectief van de exacte natuurwetenschappen.[24]
Mede vanuit dit sterke ideale beeld van de autonome wetenschap die voor de geallieerden de oorlog had gewonnen, was er na de Tweede Wereld Oorlog in de VS een claim dat de financiering van wetenschap door de overheid fors moest zijn, maar dat de universiteiten autonoom moesten zijn in het aanwenden van die middelen. Dat was tegen de wens van de politiek die juist in de oorlogsjaren op allerlei gebied goede ervaringen en veel tastbare resultaten had gezien door overheidssturing van onderzoek. De natuurwetenschappelijke lobby heeft in de jaren ’50 glansrijk gewonnen, paradoxaal genoeg dus schermend met de prestaties in de oorlog. De samenleving kon, zo zei men, erop vertrouwen dat op kortere of langere termijn interessante kennis naar buiten zou komen die bruikbaar en toepasbaar zou blijken. Anderen, buiten de academie, zouden die toepassingen daarvan dan wel voor hun rekening nemen.[25],[26]
Het wordt nog paradoxaler. In de VS werd het ministerie van defensie, gevoed door de Koude Oorlog en de lancering van Sputnik in 1957, al snel de grootste financier van onderzoek. Hett budget sloeg voornamelijk neer in de natuurwetenschappen en technologisch onderzoek, later ook in de biomedische en nog later in minder mate in de sociale wetenschappen. Onder meer het Massachusetts Institute of Technology (MIT), in Cambridge, Ma. is daar groot mee geworden.
Ook in Nederland is er vanuit de natuurkunde meteen na de oorlog zwaar gelobbyd en is al in 1946 De Stichting voor Fundamenteel Onderzoek der Materie (FOM) opgericht. Uiteraard in expliciete reactie op de ontwikkelingen in de kernfysica, die evidente militaire en civiele implicaties konden hebben. Deze defensie- en commerciële lobby van ‘70 jaar associeert men niet zo gauw met ‘Snaren, spiegels en plakband’, de romantische titel van het boekje over 70 jaar FOM, maar die wel perfect aansluit bij de romantische ideologie van pure wetenschap.[27] Het budget van FOM is tot zeer voor kort geoormerkt vanuit de overheid gekomen en steeg jaarlijks met 27% tot 1968. Opmerkelijk is dat veel van het onderzoek, indachtig de naam FOM, altijd geadverteerd werd als fundamenteel, maar eigenlijk in nauwe samenwerking met de overheid en het bedrijfsleven tot stand kwam en feitelijk zeer toegepast en technologisch was. In 2015 is FOM na een jarenlang gevecht uiteindelijk toch ingelijfd bij NWO en heeft haar eigen financieringsmodel verloren. De Koude Oorlog en een strategie die het bewust liet aansluiten bij de industrie, met ‘user-inspired research’, heeft FOM eigenlijk tot haar opheffing geen windeieren gelegd. Deze unieke positie van FOM, inclusief enorm snelle groei, is na de Koude Oorlog overgenomen door de Life Sciences en onderzoek op het gebied van Milieu en later Sustainability vanwege grote maatschappelijke problemen die zich aandienden. Dat onderzoek in deze domeinen steeds meer de vorm aan moet nemen van multidisciplinair en probleemgestuurd onderzoek is een reactie op de complexiteit, het non-lineaire karakter, en de sociaaleconomische verwevenheid van die problemen. Deze trend beperkt zich uiteraard niet tot Nederland, maar is een forse internationale ontwikkeling die nu nog gaande is.
Verantwoordelijk en betrokken
Deze kleine historische uitweiding maakt duidelijk in veel gevallen van samenwerking met de overheid de ‘autonomie- en neutraliteitsoep’ niet altijd heel heet wordt gegeten. Zelfs niet als het om enorme financiële middelen gaat waar militaire doelen mee beoogd zijn. De hedendaagse discussie over en argumentaties voor autonomie en neutraliteit zijn net zo afhankelijk van de politieke en culturele context. In een open democratische samenleving zijn er veel onderwerpen die op consensus kunnen rekenen, bijvoorbeeld omdat ze uitgaan van op dat moment gemeenschappelijke onbetwiste normen en waarden en problemen. Er zijn echter ook veel onderwerpen waarover felle maatschappelijke debatten gaande zijn.
Zoals we hierboven bespraken zullen wetenschappers wanneer zij problemen relevant vinden, daar onderzoek aan doen en met resultaten komen. In dergelijke situaties zullen ze die kennis presenteren met de voor- en nadelen van verschillende keuzes die gemaakt zouden kunnen worden op basis van die nieuwe kennis die voor de wetenschapper te overzien is. De ideale positie voor de neutrale wetenschapper lijkt in die debatten die van de zogenaamde ‘honest broker’ te zijn.[28] De wetenschapper houdt dan de eventuele eigen politieke voorkeur voor een te verkiezen scenario buiten de discussie. Het feit dat de onderzoeker, als burger, zelf mogelijk wel een voorkeur heeft, doet er dan niet toe. We moeten hier uiteraard niet naïef in zijn. Zaken zijn meestal niet eenvoudig van elkaar te scheiden in menselijk denken en handelen. We weten maar al te goed hoe indirect en vaak onbewust onze persoonlijke voorkeuren, ervaringen en meningen kunnen mee- of opspelen. Dit dient in kritische discussies met hulp van collega-wetenschappers en anderen steeds besproken te worden en actief te worden geëxpliciteerd en waar nodig bestreden. Deze noodzakelijke reflexiviteit is hierboven besproken.
In de politieke afweging wordt de wetenschap betrokken, maar ook hele andere, externe beleidsargumenten en overwegingen. Uiteraard krijgt de onderzoeker, zoals hierboven beschreven, te maken met serieuze discussies. en wordt deze soms door derden zoals politici op opiniemakers in de media en verdacht gemaakt ten aanzien van bias vanwege een persoonlijke voorkeur voor een scenario en beleidskeuze en dus bijvoorbeeld selectief gebruik van wetenschappelijke data. Als de wetenschapper een te activistische houding aanneemt en expliciet vanuit een persoonlijke politieke voorkeur opereert, is dat vaak problematisch voor het wegen van wetenschappelijke advies in maatschappelijke kwesties. Non-Gouvernementele Organisaties (NGO’s) daarentegen acteren juist vanuit een politiek kader dat openlijk beleden wordt en dat mede ondersteund wordt door wetenschappelijke kennis. In die situatie moet de NGO overtuigen dat het alle beschikbare kennis heeft betrokken en heeft meegewogen bij haar oordelen en acties. Voor bedrijven die hun producten aanprijzen op basis van wetenschappelijke bevindingen geldt hetzelfde. Hoe dit keihard gespeeld kan worden heeft de jarenlange discussie tussen voor- en tegenstanders, respectievelijk activisten en ontkenners van de gezondheidsrisico’s van roken duidelijk gemaakt. Een ander hedendaags voorbeeld is het debat over de klimaatcrisis.
De universiteit zal aan de boven beschreven problemen de komende jaren veel aandacht moeten besteden in onderwijs en onderzoek en in het begeleiden en coachen van haar medewerkers die zich in de publieke arena begeven namens de wetenschap. Wetenschappelijke argumenten en kennis spelen in veel maatschappelijke problemen een belangrijke rol, denk aan de COVID-19 pandemie, de effecten van stikstof en bijvoorbeeld de opwarming van de aarde waarbij partijen twijfel zullen proberen te zaaien ten aanzien van de wetenschappelijke consensus wanneer dat hen in het debat helpt. Voor lichtzinnigheid en naïviteit is in het publieke debat geen ruimte meer in onze tijd met verharding en polarisatie van politieke debatten op regionaal, nationaal en internationaal niveau en daarbij de onmiddellijke en grote impact van sociale media.
De vraag die zich ook opdringt is: kunnen we ons in de universiteit wel met goed fatsoen, als bewuste burgers en als het instituut dat geacht wordt een constructieve bijdrage aan de samenleving te leveren, een neutrale houding permitteren? Kunnen we de rol van ‘honest broker’ aannemen? Dat is dus erg context afhankelijk. Het is duidelijk dat er een wijd scala aan onderwerpen en problemen is die raken aan de grondbeginselen van onze samenleving, aan de normen en waarden waar we in de open democratische samenleving actief voor in moeten staan. Er zijn ook veel problemen die misschien niet meteen afgeleid kunnen worden uit die waarden en grondbeginselen, maar die raken aan de toekomst, de inrichting en de kwaliteit van de samenleving en het leven dat we willen leven. Als er wetenschappelijke consensus is dat zaken spelen in de politiek en in de maatschappij, lokaal of internationaal, die de kwaliteit van leven bedreigen, dan dienen we actie te ondernemen. Dit moeten we doen juist vanuit onze verantwoordelijkheid als wetenschappers en als universiteit. Hier gaan open discussies aan vooraf met de universitaire gemeenschap, maar ook met de betrokken burgers, politieke partijen, de overheden, enz. De VN heeft in die geest gekozen voor de ‘Sustainable Development Goals’.[29] Het zijn grote thema’s, juist van deze orde, die de EU in rapport van Mariana Mazzucto ziet als het kader van haar totale missie voor onderzoek en innovatie.[30] Hier komen alle elementen van Public Engagement zoals we die in het Open Science programma nu implementeren aan de orde. Mazzucato geeft een paar voorbeelden van missies in het domein van duurzaamheid en gezondheid. Er zijn ook brandende grote vragen op het gebied van sociale wetenschappen en geesteswetenschappen en economie. Denk ook aan de dreigende ontwrichting door sociaaleconomische ongelijkheid in werk, onderwijs en toegang tot gezondheidszorg; het veiligstellen van instituties in de democratische rechtstaat en vrije meningsuiting. Hier komen grondbeginselen, normen en waarden en onze inzichten ten aanzien van de inrichting van en besluitvorming in democratische samenlevingen bij elkaar. Hier worden keuzes gemaakt die uitgaan van engagement en betrokkenheid, verantwoordelijkheid voelen en die nemen door acties.
In de zestiger en zeventiger jaren van de vorige eeuw was er een sterke academische stroming die vanuit de zogeheten Kritische Theorie commentaar gaf op de samenleving zoals die zich na de Tweede Wereldoorlog en in de Koude Oorlog had ontwikkeld.[31] Deze stroming ging bepaald niet voorbij aan zelfkritiek ten aanzien van de rol van de academie en de universiteiten. De ideeën van die beweging resoneren nu weer in moderne vormen in Open Science.[32] Vanwege de kritische houding, houdt Open Science en Public Engagement voor sommigen een levensgroot gevaar in. Het zet immers de deur van de academie open voor publieke partijen, ‘the public and its problems’. Dat is mooi. Maar het opent ook de deur voor private en financieel machtige partijen. Zoals de grote ‘tech’ bedrijven andere multinationals en zoals boven al beschreven de ministeries van defensie en haar toeleveringsbedrijven. Er wordt bovendien terecht gewezen op de enorme ongelijkheid tussen de landen in het rijke Noordwesten en in ‘The Global South’ in financiële en technische mogelijkheden op Open Data en Software te gebruiken en verder te brengen naar bijvoorbeeld de markt. In de huidige praktijk valt Open Access, FAIR DATA en public engagement daardoor heel slecht uit voor de landen en hun bewoners in The Global South.
De argwaan en weerzin tegen ‘valorisatie’ en public engagement zoals die hierboven is getraceerd en die velen nog voelen is tastbaar en begrijpelijk. Immers, sinds 1980 is zeker bijna drie decennia lang het benadrukken van dit eenzijdige economische type public engagement in de algemene neoliberale inrichting van de maatschappij zeer dominant geweest. We zijn nu wel in een andere tijd aangekomen. Na de financiële crisis, na het falen van het experiment van de neoliberale economen is er een wereldwijde bezinning op het idee van de vrije markt, op de regulerende rol van de overheid en ‘the global village’. Dit is ook sinds 2014 in de academie en de universiteit gaande, dat is een debat vanuit de economische, sociale wetenschappen, maar ook gevoed door de humaniora over welke keuze kunnen en zouden we moeten gaan maken ten aanzicht van de inrichting van de samenleving. Daar komen wetenschappelijke argumenten, ethiek, politieke-filosofie en onze politieke of religieuze overtuigingen bij elkaar en met elkaar in gesprek. Uit eindelijk gaat dat over beleidsbeslissingen in een deliberatieve democratische context, waar de academie spreekt met de burgers en meestal niet het laatste beslissende woord heeft.
De mondiale samenleving
Ondanks dat de wereld volgens sommigen één groot dorp is waarin iedereen continue is verbonden, hebben we in het Noorden, de Europa en de VS, toch vaak The Global South te weinig op ons netvlies. UNESCO heeft in november 2021 na een lange en grondige consultatieperiode in haar ‘Recommendations on Open Science’ misschien wel de beste expressie van The Global Perspective vastgesteld.[33] In de preambule vinden we krachtige stellingen die het waarom, de verwachting en de belofte van de transitie naar Open Science helder samenvatten. De eerste twee stellingen zijn duidelijk:
‘Recognizing the urgency of addressing complex and interconnected environmental, social and economic challenges for the people and the planet, including poverty, health issues, access to education, rising inequalities and disparities of opportunity, increasing science, technology and innovation gaps, natural resource depletion, loss of biodiversity, land degradation, climate change, natural and human-made disasters, spiralling conflicts and related humanitarian crises, Acknowledging the vital importance of science, technology and innovation (STI) to respond to these challenges by providing solutions to improve human well-being, advance environmental sustainability and respect for the planet’s biological and cultural diversity, foster sustainable social and economic development and promote democracy and peace.’
Een schrijnend actueel voorbeeld van deze economische ongelijkheid betreft ons falen ten aanzien van wereldwijde beschikbaarheid van COVID-19 vaccins en het ontbreken van de benodigde voorzieningen in arme zich nog ontwikkelende landen om vaccinaties effectief en snel aan de bevolking te kunnen geven. Dit is het geval, ondanks dat we weten dat juist hierdoor in die landen nieuwe varianten kunnen ontstaan die een bedreiging voor de hele wereld kunnen vormen met immense effecten op de volksgezondheid. Daarnaast heeft dit ook enorme sociaaleconomische effecten tot gevolg.[34]
Tekstbox 5 - 1. UNESCO Recommendations on Open Science.
‘The aim of this Recommendation is to provide an international framework for Open Science policy and practice that recognizes disciplinary and regional differences in Open Science perspectives, takes into account academic freedom, gender-transformative approaches and the specific challenges of scientists and other Open Science actors in different countries and in particular in developing countries, and contributes to reducing the digital, technological and knowledge divides existing between and within countries.This Recommendation outlines a common definition, shared values, principles and standards for Open Science at the international level and proposes a set of actions conducive to a fair and equitable operationalization of Open Science for all at the individual, institutional, national, regional and international levels.’
Het blijft bij UNESCO niet bij mooie woorden en het kleurrijk schetsen van vergezichten. De problemen worden zakelijk benoemd en te nemen acties om die problemen te overkomen ook. Voor de goede orde, hier is ook Open Education in Open Science begrepen, waarbij Open Onderwijsbronnen en hulpmiddelen expliciet worden genoemd. UNESCO gaat consequent bij elk onderwerp diep in op de enorme kloof die er in de Global South is ten aanzien van gekwalificeerd personeel, de financiële middelen voor het opleiden en vasthouden van personeel, voor infrastructuur, gebouwen, verwarming, stroom, water, maar nog meer voor allerlei faciliteiten waaronder digitale infrastructuur die wij in het rijke Noorden nu als de absolute minimale voorwaarden van ons dagelijks bestaan zijn gaan beschouwen. Om over toegang tot de wetenschappelijke literatuur, voor bijvoorbeeld artsen, paramedici en andere professionals in Afrika, Latijns en Zuid-Amerika en Indonesië maar te zwijgen. In ons denken over de legitimiteit en verantwoordelijkheid van de wetenschap en de universiteit ten opzichte van de mondiale samenleving moeten we dit steeds in gedachten houden. Kennis geproduceerd met publieke middelen moet immers overal beschikbaar zijn waarbij we actief moeten werken aan de hierboven en door UNESCO benadrukte ongelijkheid.
Dit laatste sluit aan bij de discussie hierboven over het omgaan met bijvoorbeeld het koloniale verleden van de Westerse landen en welke rollen daarin gespeeld zijn door regeringen, kerken, bedrijven en burgers. Tegelijkertijd gaat dat over inzicht in het verleden van landen overal ter wereld om echt te begrijpen waar culturele, religieuze en politieke verschillen hun oorzaak vinden.
Met het terugkeren van de geopolitiek zoals we die nu in alle politieke, militaire en economische verschijningsvormen zien moeten we ons weer bezinnen hoe de universiteit daar mee moet omgaan. Hernieuwde aandacht voor de academische disciplines die hier leidend moeten zijn, is zeker geboden in onderwijs en onderzoek.
Zie de ironische beschrijving hiervan door Huxley, ‘Chapter XXVI’. ↑
https://www.nederlandrechtsstaat.nl/academische-vrijheid-in-tijden-van-wakkerte-en-cancelcultuur/ ↑
Miedema, Open Science. ↑
Overigens was het vooral de eerdere bezetting van de Tilburgse universiteit die de politiek in beweging bracht. Zie Hoofdstuk 6, Paragraaf 2. ↑
Kennedy, Nieuw Babylon in Aanbouw;
Righart, De eindeloze jaren zestig. ↑https://www.uu.nl/onderzoek/de-nieuwe-utrechtse-school/over-ons ↑
Weijers, Terug Naar het Behouden Huis. ↑
Zie Hoofdstuk 2. ↑
Etzkowitz, Triple Helix University. ↑
Miedema, Open Science; Hoofdstuk 7. ↑
Beschreven in Hoofdstuk 2. ↑
https://www.nwo.nl/wetenschapsvisie-2025. ↑
https://www.uu.nl/sites/default/files/oratie_web_definitief_14092016.pdf ↑
https://www.uu.nl/nieuws/oratie-wieger-bakker-opleiden-voor-de-open-samenleving ↑
Nowotny et al., ‘Introduction’, 179–94. ↑
Kitcher, Science in a Democratic Society. ↑
Miedema, Open Science; Hoofdstuk 4. ↑
Dewey, The Public and its Problems. ↑
Miedema, Open Science; Hoofdstuk 4. ↑
https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/ontwikkelingssamenwerking/internationale-afspraken-ontwikkelingssamenwerking/global-goals-werelddoelen-voor-duurzame-ontwikkeling ↑
Hewlett et al., The New World. ↑
Miedema, Open Science, Hoofdstuk 1 en 5. ↑
Edmonds, Murder of Professor Schlick. ↑
Miedema, Open Science; Hoofdstuk 2. ↑
Kleinman, Politics on the Endless Frontier. ↑
Greenberg, Politics of Pure Science. ↑
https://nanopdf.com/download/snaren-spiegels-en-plakband_pdf ↑
Pielke, Honest Broker. ↑
https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/ontwikkelingssamenwerking/internationale-afspraken-ontwikkelingssamenwerking/global-goals-werelddoelen-voor-duurzame-ontwikkeling ↑
Directorate-General for Research and Innovatio, Mission-Oriented Research. ↑
Miedema, Open Science, Hoofstuk 5.1. ↑
Miedema, Open Science, Hoofstuk 5 en 7. ↑
https://en.unesco.org/science-sustainable-future/open-science/recommendation ↑
Hunter et al., ‘Addressing Vaccine Inequity’, 1176-79. ↑