Skip to main content
Project
Contents

De Universiteit in Transitie

  1. Proloog
  2. Hoofdstuk 1. Beknopte ontwikkelingsgeschiedenis van de universiteit
  3. Hoofdstuk 2. De Transitie naar Open Science
  4. Hoofdstuk 3. Onderwijs
  5. Hoofdstuk 4. Community
  6. Hoofdstuk 5. De samenleving
  7. Hoofdstuk 6. Organisatie, bestuur en medenzeggenschap
  8. Epiloog
  9. Danklijst
  10. Literatuurlijst

De Universiteit in Transitie: Epiloog

De Universiteit in Transitie
Epiloog

    “Epiloog” in “De Universiteit in Transitie”

    Epiloog

    Hoe ziet de toekomst van de universiteit eruit? Dat is de vraag die we centraal stelden toen we met dit project begonnen. Als horizon hadden we vooral het jaar 2030, en misschien – als hoop - een beetje verder, in gedachten. We hebben ons die vraag gesteld voor diverse onderdelen van het werken in en het zijn, het wezen van de universiteit. In de voorgaande hoofdstukken is een groot aantal zeer diverse onderwerpen en antwoorden langsgekomen, maar zien we toch wel één heel duidelijke rode draad: de universiteit van de toekomst zal een meer open institutie zijn. Open op verschillende manieren en in verschillende richtingen.

    De drijvende kracht achter deze ontwikkeling is vooral de beweging naar Open Science. Deze veroorzaakt, en noodzaakt tot een cultuuromslag op verschillende gebieden. Het startpunt en doel hierbij is dat we door Open Science een sterkere verbinding tussen universiteit en samenleving tot stand willen brengen, waarmee de kwaliteit en de legitimiteit van het werk van de universiteit wordt bevorderd. Dat gebeurt op verschillende manieren. Bijvoorbeeld door gratis of gemakkelijker beschikbaar stellen van onderzoeksresultaten, onderzoeksdata en leermaterialen, maar vooral ook door contact te zoeken met maatschappelijke stakeholders voor het ophalen van de relevante onderzoeks- en onderwijsvragen en om te reflecteren op het eigen werk. Dit is onderdeel van wat wel ‘public engagement’ wordt genoemd.[1]

    Onderdeel van public engagement is ook dat wetenschappers hun kennis inbrengen in de open maatschappelijke en publieke discussies. Niet omdat zij de absolute waarheid in pacht hebben, of omdat hun wijsheid als dat van een orakel geaccepteerd zou moeten worden. Zij kunnen wel hun kennis en inzichten delen, zoals die bekend zijn vanuit een bepaalde stand van de wetenschap (die nooit af is), waardoor er meer beredeneerde, draagkrachtige beslissingen kunnen worden genomen. Voorwaarde is dan wel dat wetenschappers open zijn over hun eigen beperkingen en over de onzekerheden in de wetenschap.

    Diezelfde open discussie zal, vooral met het karakter van een dialoog[2], ook meer binnen de universitaire gemeenschap moeten worden gevoerd. Zeker nu de grote maatschappelijke vraagstukken in toenemende mate in multi- en interdisciplinaire verbanden bestudeerd moeten worden, zal voortdurend de vraag aan de orde moeten zijn wat de bijdrage kan zijn van al die verschillende disciplines, waar hun onzekerheden zitten, maar ook welke vragen ze hebben bij de perspectieven en ‘zekerheden’ van de andere disciplines. Kortom, openheid en verbinding tussen de disciplines en de experts in die disciplines.

    Het open gesprek binnen de universiteit heeft nog een andere dimensie, namelijk die van de agendasetting. Gelet op de schaarste aan middelen zullen er altijd keuzes moeten worden gemaakt. Wie maakt die keuzes? Wie bepaalt de richting die de universiteit en haar onderdelen wil gaan? Die vraag wordt steeds indringender omdat de traditionele, formele structuren van inspraak en medezeggenschap maar beperkt en steeds minder worden benut, terwijl ook duidelijk is dat de jongere generaties van studenten medewerkers een veel sterker gevoel van urgentie hebben bij de grote uitdagingen van deze tijd, zoals klimaatverandering, sociale en economische ongelijkheid, inclusie, etc. Niet alleen zal er gewerkt moeten worden aan revitalisering van de ‘klassieke’ vormen van inspraak en medezeggenschap. Het open debat binnen de universitaire gemeenschap zal ook op nieuwe manieren moeten worden gevoerd, met inzet van nieuwe (digitale) instrumenten. Tegelijkertijd zal er meer verantwoordelijkheid terug gelegd moeten worden in de universitaire organisatie. Professionele autonomie moet leidend zijn in besluitvormingsprocessen, en dat betekent op decentraal niveau niet alleen meer verantwoordelijkheid claimen, maar ook nemen.

    Het aangaan van een dialoog binnen de universitaire gemeenschap is niet altijd gemakkelijk. Zeker niet in de huidige tijd waarin vanuit een onderdeel van de eigen identiteit (gender, leeftijd, kleur, politieke voorkeur, etc.) het gesprek met anderen die een ander perspectief hebben op dit onderdeel soms bij voorbaat onmogelijk lijkt te zijn.[3] Het is aan de universiteit om dialogen te faciliteren, maar ook om daarin op te leiden. Het is niet voor niets dat dit een van de belangrijkste doelstellingen is van de beweging naar meer ‘Open Education’ als onderdeel van ‘Open Science’. Daar hoort ook een open attitude bij. Men is onderdeel van een gemeenschap die open is van samenstelling en aard. Dat betekent een inclusieve omgeving die diversiteit omarmt. In het onderwijs en het onderzoek, en fysiek op de campusterreinen, verwelkomen we studenten, docenten, onderzoekers, medewerkers, alumni, buurtbewoners, nationale en internationale collega’s en maatschappelijke partners. Ze kunnen een waardevolle bijdrage leveren aan de veelheid aan ideeën en opvattingen die uiteindelijk de kwaliteit en de legitimiteit van ons werk bepalen, én omdat op die manier iedereen gezien en gehoord kan worden, waardoor het welzijn en welbevinden van iedereen individueel en de gemeenschap als geheel kan worden bevorderd.

    De rol van de gemeenschap, de maatschappij met haar diverse groepen (‘publieken’) en hun problemen en belangen zal in de toekomst veel bepalender worden, al was het maar omdat het werken in teams in de toekomst nog veel noodzakelijker zal worden. De complexe problemen waarmee wetenschap en samenleving worden geconfronteerd laten zich niet oplossen door geniale eenlingen, zoals aloude mythes doen willen geloven. Dat wil niet zeggen dat individuen er niet meer toe doen, integendeel! Maar meer en meer zal het gaan om de vraag hoe individuelen hun kwaliteiten, hun excellentie zelfs, inzetten om het functioneren van teams te bevorderen, uiteraard met het oog op vooruitgang in onderwijs en onderzoek.

    Deze ontwikkeling zal ook grote gevolgen hebben voor de erkenning en waardering van prestaties van medewerkers van de universiteit. Anders dan tot voor kort zal excellentie in onderzoek, in termen van rankings en metrics, niet meer de dominante factor zijn voor het maken van carrière binnen de universiteit. De universiteit is meer dan onderzoek dat ‘science for science’ is. ‘Science for society’, onderwijs en maatschappelijke impact zijn van eminent belang. Dat wordt nu langzamerhand breed internationaal erkend. Dit zal ertoe moeten leiden dat de diversiteit aan noodzakelijke kwaliteiten ook een diversiteit aan excellentie en dus aan carrièrepaden gaat bieden, ook voor het niet-wetenschappelijk geschoold personeel, want ook zij zijn cruciaal voor hetgeen de universiteit uiteindelijk presteert en aan de samenleving kan bieden. We hebben geconstateerd dat deze beweging naar Open Science vooral een culturele omslag betreft die van wezenlijke aard is en niet eenvoudig zal zijn en tijd zal vergen. In het huidige tijdsgewricht is er in de academie, bij de diverse actoren in onderzoek en onderwijs wereldwijd desondanks groot enthousiasme voor Open Science en is de omslag reeds gaande.[4]

    Openheid naar buiten en openheid naar binnen zullen dus de dominante factoren zijn voor de toekomst van de universiteit. Kortom, de toekomst is open!

    1. Een begrip dat zich eigenlijk niet of alleen omslachtig laat vertalen, maar waarvan iedereen die er bezig is, zeker in het internationale universitaire verkeer, wel weet waarover het gaat. Het gaat niet alleen om contact en betrokkenheid, maar ook om daadwerkelijke samenspraak en ruimte bieden voor invloeden vanuit de samenleving. ↑

    2. Een gesprek kan diverse gradaties van luisteren naar elkaar opleveren. Bij een ‘debat’ gaat het louter om uitwisselen van standpunten. Bij een ‘discussie’ wordt er meer uitgegaan van gelijkwaardigheid van argumenten, terwijl bij een ‘dialoog’ de wil om elkaar te begrijpen en om tot elkaar te komen het uitgangspunt is. Meer hierover in Ritskes et al., 21 Geheimen, 10-13. ↑

    3. Heinich, Wat Onze Identiteit Niet Is. ↑

    4. Zie bijvoorbeeld de Coalition of the Willing for Reform of Research Evaluation, https://coara.eu/ ↑

    Next Chapter
    Danklijst
    PreviousNext
    Creative Commons Attribution 4.0 International License
    Powered by Manifold Scholarship. Learn more at manifoldapp.org

    Static archive of uu.trialanderror.org, captured 2026-10-02. Search, sign-in and annotation are not available.